Hieronder staan twee beweringen die worden gebruikt als argumenten tegen een bepaald kiesstelsel:
1.De confessionele partijen behalen in 1905 en in 1913 de meeste stemmen, maar krijgen toch niet de meeste zetels in de Tweede Kamer.
2.Een liberale kandidaat heeft in het rooms-katholieke Limburg geen enkele kans om in de Tweede Kamer te komen.
→ Tegen welk kiesstelsel zijn de argumenten gericht?
