Hieronder staan gebeurtenissen die te maken hebben met verschillende manieren waarop bepaalde landen worden bestuurd:
1.De tsaar wordt afgezet en het land wordt een republiek.
2.Hitler wint de verkiezingen en schaft de democratie af.
3.Praagse burgers demonstreren en eisen democratische rechten.
4.Soekarno wordt de eerste president van zijn land.
→ Zet deze gebeurtenissen in de juiste volgorde, van vroeger naar later.
Doe het zo:
Eerst …, dan …, vervolgens … en ten slotte … (vul nummers in).
