Hieronder staan vier uitspraken die te maken hebben met Duitsland:
1.Duitsland leent geld van de Verenigde Staten om de economie op gang te helpen.
2.Duitsland mag geen lid van de Volkenbond worden.
3.Duitsland wordt opgedeeld in vier bezettingszones.
4.Duitsland zet de herstelbetalingen stop om de economie op gang te helpen.
→ Geef per uitspraak aan of die wel of niet een direct gevolg was van het Dawesplan.
Doe het zo:
Uitspraak 1 was ... (kies uit: wel / niet) een direct gevolg van het Dawesplan.
(enzovoort tot en met 4)
