In 1416 reist de Italiaan Cincius Romanus naar het klooster Sankt Gallen in Zwitserland. Hij schrijft aan een vriend:
Maar toen we de toren van de kerk van Sankt Gallen zorgvuldig bestudeerden, daar waar talloze boeken worden bewaard als gevangenen en waar de bibliotheek verwaarloosd is en vol met stof, wormen, roet en allerlei andere zaken die worden geassocieerd met de vernietiging van boeken, barstten we in tranen uit. We bedachten dat dit de manier is waarop de Latijnse taal zijn grootse glorie en onderscheiding had verloren. Werkelijk, als deze bibliotheek kon spreken dan zou het uitroepen: "Jullie die de Latijnse taal zo liefhebben, zorg ervoor dat ik niet helemaal vernietigd raak door deze treurige verwaarlozing!"



