Op 21 april 1956 staat in De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad een ingezonden brief van de lezer W. Sprenger:
Het lijkt me onjuist het onderscheid tussen de gehuwde en ongehuwde vrouw te negeren. (...) Het gaat hier over de gehuwde vrouw, die, juist omdat haar man, zoals ook de wet erkent, het hoofd van de echtvereniging is, niet dezelfde vrijheden geniet als haar ongehuwde zuster. Door haar huwelijk heeft zij zich aan een bepaald gezag onderworpen, waaraan de ongehuwde vrouw niet onderworpen is. Het feitelijk voorbijgaan aan dit onderscheid schijnt er op te wijzen, dat de minister géén praktische inhoud toekent aan de wettelijke erkenning van het 'primaatschap1) van de man' in het huwelijk. |
noot 1 oppergezag



