In 1559 schrijft Michele Suriano, de Venetiaanse ambassadeur in Spanje, over de Spaanse koning Filips II:
De koning vindt geen enkele natie zo goed als de Spaanse. Hij woont tussen de Spanjaarden, hij vraagt hun om advies en hij richt zijn politiek op hen; hierin verschilt hij echt van zijn vader. Hij is niet onder de indruk van de Italianen en van de Vlamingen1 en kijkt neer op de Duitsers. Hoewel hij misschien de belangrijkste mannen van de landen waarover hij heerst in dienst neemt, laat hij niemand daarvan toe tot zijn geheime raden2, hij maakt alleen gebruik van hun diensten op militair vlak.
noot 1 Hiermee bedoelt Suriano de onderdanen van de Spaanse koning die in de (Zuidelijke) Nederlanden wonen.
noot 2 Dit zijn bestuursorganen.



