In 1520 krijgt de Duitse kunstenaar Albrecht Dürer een rondleiding door de schatkamer van de Spaanse koning Karel I. In zijn dagboek schrijft hij:
Ik zag de dingen die uit het nieuwe goudland1 naar de koning waren gebracht: een vaambrede2 zon van zuiver goud en een even grote maan van zilver; verder twee kamers met wapenuitrustingen van de mensen daar met alle soorten wonderbaarlijke wapens, harnassen, speren, prachtige schilden, buitengewone kleding, bedden en allerlei andere schitterende gebruiksvoorwerpen, waarbij wonderen in het niet verzonken. Al deze dingen zijn zo kostbaar dat ze op een waarde van 100.000 florijnen geschat worden. In alle dagen van mijn leven heb ik nog nooit iets gezien dat me zo geraakt heeft, want er lagen wonderbaarlijke kunstwerken bij en ik verbaasde me over de subtiele kunstzin van mensen in vreemde landen.
noot 1 Dürer bedoelt hiermee de Spaanse gebieden in Amerika.
noot 2 Een vaam is een oude lengtemaat van bijna 2 meter.


