Les over 3 Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog
Nederland blijft neutraal

Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog: de gevolgen
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat politieke en economische neutraliteit voor Nederland betekende tijdens de Eerste Wereldoorlog.
•Je kunt beschrijven waarom het Nederlandse leger werd gemobiliseerd en hoe de handel werd beïnvloed.
•Je kunt de oorzaken en gevolgen van de economische schaarste en het distributiestelsel in Nederland uitleggen.
•Je kunt de gevolgen van de Belgische vluchtelingenstroom en de werking van de Dodendraad beschrijven.
Belangrijke jaartallen
•1914: Uitbraak van de Eerste Wereldoorlog en de komst van één miljoen Belgische vluchtelingen naar Nederland.
•1915: Duitsland sluit de grens tussen België en Nederland af met de Dodendraad.
•1916: Toename van economische problemen, handelsbelemmeringen en voedselschaarste in Nederland.
•1918: Einde van de Eerste Wereldoorlog in november, waarna de overgebleven Belgische vluchtelingen konden terugkeren.
De eerste oorlogsjaren en de neutraliteit
Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, stonden de grote Europese machten tegenover elkaar in twee grote bondgenootschappen: de geallieerden (of de Triple Entente, bestaande uit onder andere Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland) en de centralen (bestaande uit onder andere het Duitse Rijk en Oostenrijk-Hongarije).

Duitsland had een militair plan ontwikkeld, het Von Schlieffenplan, om Frankrijk snel uit te schakelen via een omweg door de Lage Landen. Uiteindelijk paste de Duitse legerleiding dit plan aan en trok alleen door België. Nederland bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal. Dit betekende dat Nederland zich niet aansloot bij een van de strijdende partijen en zo niet direct betrokken raakte bij het oorlogsgeweld. Duitsland respecteerde deze neutraliteit omdat het hoopte via het neutrale Nederland belangrijke grondstoffen te kunnen blijven invoeren.
Mobilisatie en handel
Hoewel Nederland niet meevocht, besloot de regering uit voorzorg wel het leger te mobiliseren. Dit houdt in dat duizenden soldaten werden opgeroepen om paraat te staan en de landsgrenzen te bewaken tegen mogelijke invallen. Ook op economisch gebied had de oorlog grote gevolgen. Zowel Groot-Brittannië als Duitsland stelde strenge eisen aan de handel met Nederland. Ze wilden voorkomen dat Nederland producten aan hun vijand verkocht die belangrijk waren voor de oorlog. De Nederlandse regering verbood daarom de export van verschillende goederen, zoals paarden en brandstof. Sommige bedrijven leden hierdoor verlies, overleefden moeizaam of moesten sluiten, terwijl andere juist profiteerden van de stijgende prijzen in Europa en grote oorlogswinsten maakten. Door de schaarste en prijsverschillen over de grens ontstond er op grote schaal smokkelen, waarbij goederen stiekem de grens met België of Duitsland werden overgebracht om daar voor veel geld te worden verkocht.
Schade en schaarste
Vanaf 1916 kreeg Nederland te maken met ernstige economische problemen door toenemende handelsbelemmeringen. Dit zijn alle problemen die het handeldrijven met het buitenland moeilijk maken. Groot-Brittannië verbood bijna alle handel naar Nederland om doorvoer naar Duitsland te voorkomen en nam regelmatig de ladingen van Nederlandse schepen in beslag. Bovendien werd de scheepvaart op de Noordzee levensgevaarlijk. De Britten legden zeemijnen neer en Duitse onderzeeërs vielen alle schepen aan die goederen voor de vijand vervoerden. Tientallen Nederlandse handelsschepen gingen hierdoor verloren.
Het distributiestelsel
Door het uitblijven van grondstoffen moesten fabrieken sluiten en nam de werkloosheid snel toe. Er ontstond een grote schaarste aan voedsel en andere eerste levensbehoeften, waardoor de prijzen enorm stegen. Om te zorgen dat ook de armen en werklozen genoeg te eten kregen, voerde de regering een distributiestelsel in. Dit is een systeem waarbij goederen 'op de bon' gaan. Huishoudens kregen wekelijks bonkaarten waarmee ze voor een vaste, betaalbare prijs noodzakelijke producten zoals brood, vlees, zeep en brandstof konden kopen.
Een stroom van vluchtelingen
België werd zwaar getroffen door het oorlogsgeweld. In 1914 vluchtten één miljoen Belgische burgers naar het veilige Nederland. In de eerste weken boden Nederlandse burgers hulp en onderdak, maar de stroom werd al snel te groot. De Nederlandse overheid besloot daarom de vluchtelingen op te vangen en te verspreiden over speciale vluchtelingenkampen. Hoewel de meesten na een paar maanden terugkeerden, bleven ongeveer 100.000 Belgen tot het einde van de oorlog in november 1918 in Nederland.
De Dodendraad
Veel Belgische vluchtelingen probeerden via Nederland naar Groot-Brittannië of Frankrijk te reizen om zich aan te sluiten bij de geallieerde legers. Om dit en de smokkel tegen te gaan, legden de Duitsers in mei 1915 de Dodendraad aan langs de grens tussen België en Nederland.

Dit was een hekwerk met prikkeldraad dat onder levensgevaarlijke elektrische hoogspanning stond. Wie de draad aanraakte, overleed direct door elektrocutie. De Nederlandse regering protesteerde niet tegen de aanleg, omdat de draad hielp om de Nederlandse neutraliteit te handhaven en de illegale smokkel effectief tegen te gaan. In totaal kwamen naar schatting 2.000 tot 3.000 mensen om het leven bij de Dodendraad.