Les over 3 Sociale wetten en kiesrecht

Les over 3 Sociale wetten en kiesrecht

Gemaakt door Ainstein
3 Sociale wetten en kiesrecht
Deze video bestaat uit
  • Liberalen, socialisten, confessionelen en feminstenLiberalen, socialisten, confessionelen en feminsten
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 03:36
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe ontstonden sociale wetten en kiesrecht in Nederland?

Leerdoelen

Je kunt beschrijven hoe de eerste sociale wetten de positie van arbeiders en kinderen verbeterden.

Je kunt uitleggen hoe het kiesrecht voor mannen stapsgewijs werd uitgebreid via het caoutchoucartikel.

Je kunt de doelen en belangrijkste personen van de eerste feministische golf benoemen.

Je kunt de drie grote veranderingen van de Pacificatie van 1917 uitleggen.

Je kunt verklaren hoe Nederland in 1919 met de invoering van het actief vrouwenkiesrecht een parlementaire democratie werd.

Belangrijke jaartallen

1848: De liberalen krijgen veel macht in Nederland en houden sociale wetten en kiesrechtuitbreiding tegen.

1873: Een economische crisis breekt uit, waardoor de denkwijze over armoede en overheidsingrijpen verandert.

1874: Invoering van het Kinderwetje van Van Houten, de eerste sociale wet in Nederland.

1887: Grondwetswijziging waarbij het censuskiesrecht wordt vervangen door het caoutchoucartikel.

1901: Invoering van de Ongevallenwet en de Woningwet om arbeiders en bewoners te beschermen.

1913: Door versoepelingen van de kiesrechteisen mag inmiddels 65% van de volwassen mannen stemmen.

1870-1920: De eerste feministische golf, waarin vrouwen strijden voor gelijke rechten en kiesrecht.

1917: De Pacificatie van 1917 lost de schoolstrijd op en voert algemeen mannenkiesrecht en passief vrouwenkiesrecht in.

1919: Invoering van het actief vrouwenkiesrecht, waarmee Nederland een parlementaire democratie wordt.

Nieuwe sociale wetten

Vanaf 1848 hadden de liberalen de macht en vonden zij dat de armen zelf verantwoordelijk waren voor hun situatie. Na de economische crisis van 1873 veranderde dit standpunt. Om arbeiders, armen en kinderen te beschermen, werden de eerste sociale wetten ingevoerd:

Het Kinderwetje van Van Houten (1874): Deze wet verbood kinderen onder de 12 jaar om in fabrieken te werken. Dit was de allereerste sociale wet in Nederland.

De Ongevallenwet (1901): Deze wet zorgde ervoor dat arbeiders recht hadden op een financiële uitkering als zij door een ongeval in de fabriek niet meer konden werken.

De Woningwet (1901): Deze wet stelde strenge voorschriften op voor woningen. Huizen moesten voortaan voldoen aan basiseisen, zoals het hebben van ramen en een eigen wc.

De uitbreiding van het kiesrecht voor mannen

In de negentiende eeuw gold in Nederland het censuskiesrecht. Dit hield in dat alleen mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden, mochten stemmen. In 1887 werd de grondwet gewijzigd:

Het censuskiesrecht werd afgeschaft.

Er werd een nieuw grondwetsartikel ingevoerd dat kiesrecht gaf aan mannen die aan bepaalde eisen voldeden.

Omdat deze eisen niet precies in de grondwet stonden, konden ze gemakkelijk worden versoepeld en opgerekt. Dit artikel kreeg de bijnaam het caoutchoucartikel (Frans voor rubber).

Door de stapsgewijze versoepeling van de eisen (zoals het betalen van een bepaalde huur of het hebben van een opleiding) groeide het aantal stemgerechtigde mannen van 14% in 1890 naar 65% in 1913. Vrouwen bleven echter wettelijk uitgesloten van het kiesrecht.

De eerste feministische golf

In de negentiende eeuw was er sprake van grote ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Rijke vrouwen mochten niet werken omdat dit als niet 'fatsoenlijk' werd beschouwd. Arme vrouwen werkten wel, maar verdienden aanzienlijk minder dan mannen voor hetzelfde werk. Getrouwde vrouwen mochten niet zelfstandig geld uitgeven en vrouwen mochten niet doorleren of bepaalde beroepen uitoefenen. Als reactie op deze ongelijkheid ontstond het feminisme, een beweging die opkwam voor gelijke rechten voor de vrouw. De periode tussen 1870 en 1920 staat bekend als de eerste feministische golf. Twee belangrijke feministen waren:

Wilhelmina Drucker: Zij richtte de Vrije Vrouwenvereniging (VVV) op. Deze vereniging streed voor gelijke behandeling van man en vrouw, gelijke beloning en het recht op arbeid.

Aletta Jacobs: De eerste vrouwelijke arts van Nederland. Samen met Drucker richtte zij de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK) op, die specifiek streed voor het vrouwenkiesrecht. Dit is het recht van vrouwen om te stemmen (actief) en gekozen te worden (passief).

De Pacificatie van 1917

Sinds 1880 was er in de Tweede Kamer een felle politieke strijd gaande over twee grote kwesties: het algemeen kiesrecht en de schoolstrijd. De confessionelen streden voor financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs (christelijke scholen) met het openbaar onderwijs (overheidsscholen). De socialisten en een deel van de liberalen eisten algemeen kiesrecht. Omdat voor een grondwetswijziging een tweederdemeerderheid nodig was, zat de besluitvorming jarenlang muurvast. In 1917 werd de vrede getekend met de Pacificatie van 1917. De partijen stemden voor elkaars plannen, wat leidde tot drie grote veranderingen in de grondwet:

Er kwam algemeen kiesrecht voor alle mannen vanaf 23 jaar.

De financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs werd geregeld, waarmee een einde kwam aan de schoolstrijd.

Het oude districtenstelsel werd vervangen door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Dit betekent dat het percentage zetels dat een partij krijgt, gelijk is aan het percentage stemmen dat zij landelijk behaalt. Dit gaf kleinere partijen meer kans op een zetel, maar maakte samenwerken in de regering ook complexer.

Nederland wordt een parlementaire democratie

Bij de grondwetswijziging van 1917 kregen vrouwen in eerste instantie alleen passief kiesrecht. Dit betekende dat zij zich wel verkiesbaar mochten stellen, maar zelf nog niet mochten stemmen. In 1919 werd de grondwet opnieuw aangepast en kregen vrouwen ook actief kiesrecht. Vanaf dat moment mochten alle volwassen burgers stemmen en was Nederland officieel een parlementaire democratie: een bestuursvorm waarin de macht ligt bij een parlement dat rechtstreeks door de burgers wordt gekozen.