Les over 2 Politieke stromingen
Liberalen, socialisten, confessionelen en feminsten

Welke politieke stromingen ontstonden in de 19e eeuw?
Leerdoelen
•Je kunt de drie belangrijkste politieke stromingen in de negentiende eeuw benoemen en hun standpunten uitleggen.
•Je kunt het verschil tussen censuskiesrecht en algemeen kiesrecht beschrijven.
•Je kunt uitleggen wat de sociale kwestie en de schoolstrijd inhielden en hoe de stromingen hierover dachten.
•Je kunt het proces van emancipatie en de opkomst van de verzuiling in Nederland verklaren.
•Je kunt de vier zuilen en hun bijbehorende politieke partijen en leiders identificeren.
Politieke stromingen in de negentiende eeuw
In de negentiende eeuw was het parlement in Nederland aan de macht, maar de invloed van burgers was ongelijk verdeeld. Er ontstonden verschillende politieke stromingen met elk hun eigen idealen en wensen voor de samenleving. De drie belangrijkste stromingen waren:
•Het liberalisme: Deze stroming streefde naar zoveel mogelijk vrijheid voor burgers en bedrijven. De overheid moest zich beperken tot het handhaven van orde en veiligheid en zo min mogelijk regels maken. Liberalen vonden dat iedereen voor zichzelf moest zorgen. Een belangrijke liberale leider was Thorbecke.
•Het socialisme: Socialisten vonden dat geld en bezit eerlijker verdeeld moesten worden en dat de overheid de armen actiever moest helpen om gelijkheid te creëren. Binnen deze stroming wilden sommigen met geweld de macht overnemen, terwijl de sociaaldemocraten via de democratische weg veranderingen wilden bereiken door wetten aan te nemen die arbeiders beschermden.
•Het confessionalisme: Confessionelen baseerden hun politieke ideeën op hun geloof (confessie). Deze groep bestond in Nederland uit protestanten en katholieken.
De strijd om het kiesrecht
Hoewel de grondwet van 1848 de macht bij het parlement legde, mocht slechts een klein deel van de bevolking stemmen. Er was sprake van censuskiesrecht, wat betekende dat alleen mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden kiesrecht hadden. In de praktijk mochten hierdoor alleen rijke mannen stemmen, wat neerkwam op ongeveer 11% van de mannelijke bevolking van 23 jaar en ouder. Omdat deze rijke mannen vaak op de liberalen stemden, hadden de liberalen de meeste macht in handen. De socialisten verzetten zich hier sterk tegen en eisten algemeen kiesrecht, waarbij iedereen vanaf een bepaalde leeftijd mag stemmen.
De sociale kwestie en de schoolstrijd
Vanaf 1860 veranderde Nederland snel door de industriële revolutie, de grote overgang van handmatige productie naar het werken met fabrieken en machines. Dit leidde tot verstedelijking, waarbij plattelandsgebieden snel veranderden in dichtbevolkte steden omdat arbeiders dicht bij de fabrieken gingen wonen. De leefomstandigheden van deze arbeiders waren erbarmelijk: hun woningen waren koud en vochtig en er waren slechte werkomstandigheden met lange werkdagen, lage lonen en gevaarlijk werk. Dit probleem van armoede en slechte leefomstandigheden werd de sociale kwestie genoemd.

De politieke stromingen dachten heel verschillend over de oplossing voor dit probleem:
•Socialisten wilden dat de overheid sociale wetten zou maken om burgers te beschermen tegen armoede, ziekte en werkloosheid. Destijds bestond alleen de Armenwet, die minimale steun bood.
•Liberalen waren tegen deze wetten omdat zij vonden dat de overheid zich niet met de economie moest bemoeien.
•Confessionelen vonden overheidsingrijpen ook onnodig; zij zagen armoede als iets wat door God was bepaald en vonden armenzorg een taak voor de kerk.
Naast de sociale kwestie speelde de schoolstrijd. Dit was een langdurig politiek conflict over het onderwijs. De overheid betaalde destijds alleen het openbaar onderwijs. Confessionelen wilden dat de overheid ook het bijzonder onderwijs (scholen op religieuze grondslag) zou financieren. De liberalen weigerden dit omdat zij vonden dat de overheid niet verantwoordelijk was voor godsdienstlessen.
Emancipatie, verzuiling en politieke partijen
Omdat arme burgers en religieuze groepen zich achtergesteld voelden, begonnen zij te strijden voor gelijke rechten. Dit proces van opkomen voor gelijke rechten heet emancipatie. Om hun positie te versterken, richtten protestanten, katholieken en socialisten hun eigen organisaties op, zoals scholen, kranten en vakbonden. Hierdoor raakte de samenleving verdeeld in vier strikt gescheiden groepen, die we zuilen noemen. Deze opdeling van de maatschappij op basis van geloof of politieke overtuiging heet verzuiling. Mensen leefden, sportten en werkten vrijwel uitsluitend binnen hun eigen zuil.

Vanaf 1880 richtten de zuilen ook eigen politieke partijen op:
•De protestanten richtten onder leiding van Abraham Kuyper de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) op. Kuyper kwam op voor de 'kleine luyden' (de gewone burgers).
•De katholieken, geleid door priester Herman Schaepman, streefden naar gelijke behandeling in het protestantse Nederland en richtten later de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) op.
•De liberalen verenigden zich in de Liberale Unie, die vooral aanhang had onder de rijke burgerij.
•De sociaaldemocraten richtten onder leiding van Pieter Jelles Troelstra de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (SDAP) op om de belangen van de arbeiders te behartigen.
Belangrijke jaartallen
•1848: De nieuwe grondwet legt de macht bij het parlement.
•Vanaf 1860: De industriële revolutie komt op gang in Nederland en veroorzaakt de sociale kwestie.
•Vanaf 1880: Politieke stromingen beginnen eigen politieke partijen op te richten.
•1885: Grote demonstratie van socialisten in Den Haag voor het algemeen kiesrecht.