Les over §3 De crisis van de jaren 30

Les over §3 De crisis van de jaren 30

Gemaakt door Ainstein
§3 De crisis van de jaren 30
Deze video bestaat uit
  • Een verzuild land in crisisEen verzuild land in crisis
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 03:03
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe werkte de crisis van de jaren 30 in Nederland?

Leerdoelen

Je kunt de gevolgen van de economische crisis in Nederland benoemen.

Je kunt uitleggen hoe de regering reageerde op de economische crisis.

Je kunt beschrijven hoe de crisis leidde tot onrust in de samenleving.

Je kunt de kenmerken van de aanpassingspolitiek van de regering-Colijn toelichten.

Je kunt het Plan van de Arbeid van de socialisten als alternatief voor de aanpassingspolitiek beschrijven.

Belangrijke jaartallen

1929: uitbreken van de grote economische crisis in de Verenigde Staten.

1930: stijging van de werkloosheid in Nederland naar honderdduizend mensen.

1931: invoering van de steunverlening door de overheid en het uitbreken van een textielstaking in Twente.

1932: uitbreken van huurstakingen door arbeiders in Amsterdam.

1933: Hendrik Colijn wordt de leider van de Nederlandse regering.

1934: verlaging van de lonen en uitkeringen door de regering en het ontstaan van het Jordaanoproer.

1935: presentatie van het Plan van de Arbeid door de socialisten.

1936: bereiken van het hoogtepunt in werkloosheid met meer dan een half miljoen werklozen.

Gevolgen van de economische crisis

In 1929 brak in de Verenigde Staten een grote economische crisis uit doordat veel bedrijven, fabrieken en banken failliet gingen. De Amerikanen kochten daardoor minder buitenlandse goederen, waardoor de crisis oversloeg naar Europa. Voor de Nederlandse economie was de export van producten erg belangrijk. Toen het buitenland geen Nederlandse producten meer kocht, kreeg ook Nederland zware economische problemen. Bedrijven verkochten minder producten en moesten daardoor minder produceren. Dit leidde tot massaontslagen. Omdat veel ondernemingen bovendien hun leningen niet meer konden aflossen, gingen zij failliet. De werkloosheid steeg snel van 100.000 mensen in 1930 naar meer dan een half miljoen in 1936. In dat jaar was één op de vier Nederlandse arbeiders werkloos, en in Amsterdam verloor zelfs de helft van de inwoners zijn baan. Ontslagen arbeiders kregen in die tijd geen standaarduitkering. Alleen wie lid was van een vakbond ontving gedurende acht weken een kleine uitkering, waarna men was aangewezen op de armenzorg. Omdat de nood erg hoog werd, startte de overheid in 1931 met de steunverlening. Werklozen tussen de 21 en 60 jaar die buiten hun eigen schuld zonder werk zaten, kregen een kleine uitkering die ook wel de steun werd genoemd. Deze uitkering bedroeg ongeveer de helft van een normaal loon. Om misbruik en zwartwerken te voorkomen, gold een streng controlesysteem. Werklozen moesten verplicht twee keer per dag gaan stempelen bij een stempelkantoor. Wie bijverdiende of extra geld van anderen ontving, raakte de uitkering onmiddellijk kwijt. Daarnaast moesten veel werklozen aan de slag in de werkverschaffing. In ruil voor hun uitkering voerden zij zwaar werk uit voor de overheid, zoals het ontginnen van heidegronden, het graven van kanalen of het aanleggen van parken (bijvoorbeeld in de net drooggelegde Wieringermeerpolder). Voor sommige projecten werden werklozen ondergebracht in werkkampen. Wie het werk weigerde, verloor zijn uitkering.

De regering-Colijn en de aanpassingspolitiek

Minister-president Hendrik Colijn, leider van de Nederlandse regering vanaf 1933 (Bron: http://hdl.handle.net/10648/add2aaa4-d0b4-102d-bcf8-003048976d84)
Minister-president Hendrik Colijn, leider van de Nederlandse regering vanaf 1933 (Bron: http://hdl.handle.net/10648/add2aaa4-d0b4-102d-bcf8-003048976d84)

Vanaf 1933 werd de Nederlandse regering geleid door premier Colijn. Hij koos voor een beleid van aanpassingspolitiek, wat betekende dat de overheid haar uitgaven aanpaste aan de sterk dalende inkomsten. Doordat er minder belasting werd opgehaald, ging de regering-Colijn fors bezuinigen. In 1934 verlaagde de overheid daarom zowel de ambtenarenlonen als de uitkeringen van werklozen. De maatschappelijke gevolgen van dit bezuinigingsbeleid waren groot. Doordat werklozen langdurig van een zeer laag inkomen moesten rondkomen, raakten kleding en schoenen versleten. Kleding die via de steunverlening werd verstrekt was gemerkt, waardoor voor iedereen zichtbaar was dat iemand 'van de steun' moest leven. De aanpassingspolitiek bracht geen economisch herstel; de schulden en de werkloosheid liepen juist verder op. In het parlement kwam hierop veel kritiek. De socialisten presenteerden in 1935 het Plan van de Arbeid als alternatief. Zij stelden voor dat de overheid juist extra geld zou investeren om banen te scheppen. Door mensen weer aan het werk te helpen, zouden arbeiders hun loon gaan besteden en kon de economie herstellen. Omdat de socialisten geen parlementaire meerderheid hadden, werd het plan niet uitgevoerd.

Onrust en protesten in de samenleving

De strenge regels, het verplichte stempelen, de werkverschaffing in werkkampen en het dragen van gemerkte kleding veroorzaakten een diep gevoel van schaamte en vernedering bij werklozen. Dit leidde tot maatschappelijke onrust en verschillende protestacties:

Textielstaking in Twente (1931): textielarbeiders legden het werk neer uit protest tegen een voorgestelde loonsverlaging van 5%. Ondanks de steun van de vakbonden werd de loonsverlaging doorgevoerd.

Huurstakingen in Amsterdam (1932): in wijken zoals Amsterdam-West kwamen arbeiders in opstand toen een loonsverlaging samenviel met een huurverhoging. De stakingen bleven zonder resultaat en weigerachtige huurders werden uit hun woning gezet.

Jordaanoproer (1934): toen de regering in 1934 besloot de steunverlening nog verder te verlagen, brak er een felle opstand uit in de Amsterdamse wijk de Jordaan. Boze bewoners raakten in straatgevechten met de politie en bekogelden hen met straatstenen en dakpannen.

Het Jordaanoproer werd door de overheid met groot machtsvertoon neergeslagen door de politie, de marechaussee en het leger in te zetten. Bij de gevechten vielen meer dan vijftig gewonden en zes doden. Ondanks de heftige protesten bleef de regering bij haar besluit en werd de verlaagde steun gehandhaafd.