Les over §1 Armoede in de 19e eeuw

Les over §1 Armoede in de 19e eeuw

Gemaakt door Ainstein
§1 Armoede in de 19e eeuw
Deze video bestaat uit
  • De industriële revolutieDe industriële revolutie
  • Stromingen en kiesrechtStromingen en kiesrecht
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 06:45
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Armoede in de 19e eeuw: hoe woonden en werkten armen?

Leerdoelen

Je kunt benoemen welke groepen mensen in de 19e eeuw in de problemen kwamen.

Je kunt uitleggen hoe de politiek reageerde op de toename van het aantal armen.

Je kunt beschrijven wat er in de armenzorg veranderde rond 1900.

Je kunt de slechte woon- en werkomstandigheden van arbeiders in de 19e-eeuwse steden beschrijven.

Je kunt de standpunten van liberalen, socialisten en confessionelen over sociale wetgeving in de 19e eeuw vergelijken.

Je kunt de inhoud en het belang van de eerste sociale wetten rond 1900 toelichten.

Belangrijke jaartallen

1854: het parlement neemt de Armenwet aan.

1870: rond dit jaar neemt de industrie toe en trekken veel mensen van het platteland naar de steden.

1873: een wereldwijde economische crisis veroorzaakt grote werkloosheid en armoede.

1874: het Kinderwetje van Van Houten wordt aangenomen als eerste sociale wet.

1901: de Leerplichtwet, Ongevallenwet en Woningwet worden aangenomen.

Mensen in de problemen op het platteland en in de stad

Tot ongeveer 1870 woonden de meeste Nederlanders op het platteland. Veel van hen werkten als seizoenarbeider voor boeren of verdienden hun brood als ambachtslieden, zoals klompenmakers, kleermakers en smeden. Zij kregen het steeds moeilijker doordat fabrieken goedkopere machinale producten maakten. Wanneer na 1870 de industrialisatie opkwam, trokken velen naar de steden in de hoop op een beter bestaan. In de steden waren de omstandigheden voor arbeiders echter heel slecht:

Woonomstandigheden: arbeiders woonden in donkere, vochtige en overvolle woningen zonder elektriciteit. Soms leefden meerdere gezinnen in één kamer. Kraanwater en een wc ontbraken; stadsgrachten dienden tegelijk als riool en drinkwaterbron.

Werkomstandigheden: mannen, vrouwen en kinderen vanaf 12 jaar werkten veertien uur per dag, zes dagen per week in de fabrieken. Ongelukken kwamen veel voor en er was geen geld voor een dokter.

Gezondheid: door gebrekkige hygiëne en eenzijdig voedsel (vooral aardappels en brood) braken er dodelijke besmettelijke ziektes uit, zoals cholera, tyfus en tuberculose.

Mensen die niet konden werken, zoals zieken, gewonden, alleenstaanden, gehandicapten en ouderen, hadden geen inkomsten. Zij waren volledig afhankelijk van hulp van familie, kerken of liefdadigheid van rijke burgers. Het armenfonds van de gemeente raakte snel leeg en de overheid regelde de armenzorg nog niet.

De politiek en de armoede in de 19e eeuw

In het midden van de 19e eeuw had Nederland vrijwel geen sociale wetten: wetten die de gevolgen van armoede, ziekte, ouderdom en werkloosheid bestrijden. Uit angst voor rellen en diefstal nam het parlement in 1854 de Armenwet aan. Deze wet bepaalde dat de gemeente alleen hulp bood aan armen die niet door familie of de kerk geholpen konden worden. Omdat alleen rijke mannen kiesrecht hadden, vertegenwoordigde het parlement vooral de belangen van de gegoede burgerij. De drie belangrijkste politieke stromingen dachten verschillend over de armoede:

Liberalen: de grootste groep in het parlement vond dat vrijheid vooropstond en dat burgers voor zichzelf moesten zorgen. Problemen oplossen was volgens hen geen taak van de overheid.

Socialisten: zij vonden dat iedereen gelijkwaardig is en dat de overheid arbeiders moest beschermen. Volgens hen werd armoede veroorzaakt door fabriekseigenaren die arbeiders uitbuitten voor winst. Zij wilden dat de overheid sociale wetten invoerde, maar hadden nauwelijks invloed doordat arbeiders niet mochten stemmen.

Confessionelen: katholieken en protestanten die vanuit hun geloof politiek bedreven. Zij zagen armoede als een gegeven dat door God zo gewild was en vonden dat de armenzorg een taak van de kerk was, niet van de overheid.

Veranderingen in de armenzorg en de eerste sociale wetten

Na een wereldwijde economische crisis in 1873 steeg de werkloosheid fors en werd de armoede onhoudbaar. Ook een deel van de liberalen zag in dat de overheid wel moest ingrijpen. Dit leidde tot de eerste sociale wetgeving:

Kinderwetje van Van Houten (1874): de eerste sociale wet in Nederland, ingevoerd door de liberaal Van Houten. Deze wet verbood fabrieksarbeid voor kinderen onder de 12 jaar.

Leerplichtwet (1901): verplichtte kinderen van 6 tot 12 jaar om naar school te gaan, wat definitief een einde maakte aan alle kinderarbeid.

Ongevallenwet (1901): gaf arbeiders een kleine uitkering als zij door een fabrieksongeval niet meer konden werken.

Woningwet (1901): stelde eisen aan nieuwe woningen, zoals aparte keukens, slaapkamers, een kraan en een wc.

Daarnaast verbeterde de overheid de hygiëne in steden door de stadsreiniging aan te pakken en riolering en waterleidingen aan te leggen, waardoor besmettelijke ziektes verdwenen. Arbeiders kwamen ook zelf in actie. Zij richtten vakbonden op om samen sterker te staan en eisen te stellen aan werkgevers. Tijdens stakingen betaalden vakbonden een deel van het loon door. Ook sloten arbeiders onderlinge verzekeringen af: regelingen waarbij ze premie betaalden om een uitkering te ontvangen bij ziekte of ongevallen.