Les over HISTORISCHE CONTEXT 4 Duitsland in Europa 1918-1991
De Republiek van Weimar
Opkomst van van Hitler (1923-1939)
Totalitaire systemen en de rol van propaganda
Duitsland valt uiteen (1945-1949)
BRD en DDR tot de bouw van de Muur (1949-1961) - + 2 video's

Duitsland in Europa 1918-1991: van tweedeling naar eenheid
Leerdoelen
•Je kunt verklaren waarom de democratische Weimarrepubliek niet uitgroeide tot een stabiel bestuur.
•Je kunt uitleggen waarom de NSDAP uitgroeide tot een massapartij en hoe de nationaalsocialisten de totale macht wisten te veroveren.
•Je kunt benoemen welke gevolgen de opkomst van het nationaalsocialisme had voor Duitsland.
•Je kunt benoemen welke gevolgen de opkomst van het nationaalsocialisme had voor Europa en Nederland.
•Je kunt de impact van het Verdrag van Versailles en de dolkstootlegende op het vertrouwen in de Weimarrepubliek analyseren.
•Je kunt de rol van moderne propaganda en massaorganisaties bij de nazificatie van de Duitse samenleving beschrijven.
•Je kunt beschrijven welke situatie in Duitsland ontstond na de geallieerde overwinning.
•Je kunt uitleggen waarom de wederopbouw van Europa leidde tot spanningen tussen de Sovjet-Unie en het Westen en benoemen welke gevolgen dit had voor Duitsland.
•Je kunt uitleggen hoe de denazificatie in de westelijke bezettingszone verschilde van die in de oostelijke bezettingszone.
•Je kunt uitleggen waarom de BRD uitgroeide tot een stabiele democratie.
•Je kunt beschrijven hoe de DDR een totalitaire staat naar het model van de Sovjet-Unie werd.
•Je kunt de betekenis van de Trumandoctrine en het Marshallplan voor de economische en politieke ontwikkeling van West-Duitsland verklaren.
•Je kunt de oorzaken en gevolgen van de Blokkade van Berlijn voor de deling van Duitsland benoemen.
•Je kunt beschrijven hoe de relatie tussen de BRD en de DDR zich tijdens de detente ontwikkelde.
•Je kunt uitleggen uit welke ideeën het linkse terrorisme in de BRD voortkwam en beschrijven welk effect dat terrorisme op de BRD had.
•Je kunt beschrijven hoe de hervormingen van Gorbatsjov leidden tot het ineenstorten van het Oostblok.
•Je kunt beschrijven welke gebeurtenissen de hereniging van de twee Duitslanden mogelijk maakten, en wat hindernissen waren bij de hereniging.
•Je kunt uitleggen met welke binnenlandse problemen het herenigde Duitsland te maken kreeg.
•Je kunt de invloed van de Ostpolitik van Willy Brandt op de internationale erkenning van de DDR evalueren.
•Je kunt de begrippen glasnost en perestrojka in de context van de hervormingen in de Sovjet-Unie definiëren.
Belangrijke jaartallen
•1871: stichting van het Duitse Keizerrijk in de Spiegelzaal van Versailles.
•1919: ondertekening van het Verdrag van Versailles.
•1924: invoering van het Dawesplan om de Duitse economie te ondersteunen.
•1929: Amerikaanse beurskrach leidt tot een wereldwijde economische crisis.
•1933: Hitler wordt rijkskanselier; Rijksdagbrand; machtigingswet maakt een einde aan de Weimarrepubliek.
•1938: Conferentie van München; Duitsland krijgt toestemming Sudetenland in te nemen.
•1939: Duitse inval in Polen; begin van de Tweede Wereldoorlog.
•1940: Duitse bezetting van Nederland.
•1945: onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en einde van de Tweede Wereldoorlog.
•1948: begin van de Blokkade van Berlijn en de geallieerde luchtbrug.
•1949: oprichting van de Bondsrepubliek Duitsland (BRD) en de Duitse Democratische Republiek (DDR).
•1951: oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS).
•1953: mislukte volksopstand van arbeiders in de DDR neergeslagen door Sovjettroepen.
•1961: bouw van de Berlijnse Muur.
•1963-1979: periode van detente (ontspanning) tussen de VS en de Sovjet-Unie.
•1972: BRD en DDR erkennen elkaar als gelijkwaardige staten in de internationale politiek.
•1985: Michael Gorbatsjov wordt leider van de Sovjet-Unie en lanceert glasnost en perestrojka.
•1989: massale protesten in de DDR en de val van de Berlijnse Muur op 9 november.
•1990: hereniging van Duitsland op 3 oktober.
•1991: einde van het communistische bewind en de ontbinding van de Sovjet-Unie.
Opkomst van nazi-Duitsland (1918-1945)
De Republiek van Weimar
Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht het Duitse Keizerrijk tegen de geallieerden. Eind 1918 werd duidelijk dat Duitsland de strijd niet kon volhouden. Er ontstond chaos en de keizer vluchtte. De sociaaldemocraten vormden een nieuwe regering, ondertekenden de wapenstilstand en stelden een nieuwe grondwet op. Hierdoor werd Duitsland een parlementaire democratie: een politiek stelsel waarin een democratisch gekozen parlement de regering aanstelt en controleert. Deze staat staat bekend als de Republiek van Weimar (of Weimarrepubliek). De jonge democratie was vanaf het begin uiterst wankel. Dit had twee voorname oorzaken:
•Tegenstanders van democratie: de oude conservatieve adellijke elite wilden het keizerrijk herstellen, nationalistische groepen op rechts eisten een sterke leider, en radicale communisten streefden naar een revolutie om een klasseloze samenleving zonder privébezit te stichten.
•Gebrek aan vertrouwen in de leiders: veel burgers stelden de democratische bestuurders verantwoordelijk voor het verlies van de oorlog en de harde bepalingen van de vrede.
Het wantrouwen in de democratie werd gevoed door de dolkstootlegende: een hardnekkige complottheorie die beweerde dat het Duitse leger de oorlog op het slagveld niet verloren had, maar in de rug was gestoken door de sociaaldemocratische regering die de wapenstilstand sloot.

Bovendien kregen de leiders de schuld van het Verdrag van Versailles (1919). Dit vredesverdrag dwong Duitsland tot ontwapening, het afstaan van grondgebied (zoals Elzas-Lotharingen aan Frankrijk) en het betalen van enorme herstelbetalingen (een vergoeding voor geleden oorlogsschade). Toen Duitsland deze herstelbetalingen niet meer kon opbrengen, bezetten Franse troepen het Duitse Roergebied. In 1924 bracht het Amerikaanse Dawesplan verlichting. Dit plan zorgde voor herstructurering van de herstelbetalingen en maakte Amerikaanse leningen mogelijk, waarmee Duitse bedrijven weer konden investeren. Toen Duitsland de grenzen van Versailles erkende, kwam er een kort economisch herstel. Dit herstel eindigde echter abrupt in 1929 door de Amerikaanse beurskrach: een massale ineenstorting van de aandelenkoersen in New York, die leidde tot een wereldwijde economische crisis en massawerkloosheid in Duitsland.
De opkomst van het nationaalsocialisme
Van de politieke en economische chaos profiteerde de NSDAP (Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij), een extreemrechtse en antisemitische partij onder leiding van Adolf Hitler. Antisemitisme betekent haat tegen en discriminatie van Joden. Hitler gebruikte de Joden als zondebok voor de crisis en het oorlogsverlies. Hij beloofde de nationale eenheid te herstellen, het Verdrag van Versailles terug te draaien en de werkloosheid op te lossen. Met behulp van grootschalige propaganda (politieke reclame om mensen te overtuigen) en het machtsvertoon van paramilitaire knokploegen bouwde Hitler de NSDAP uit tot een massaorganisatie.

Na een verkiezingsoverwinning werd Hitler in januari 1933 door de conservatieve elite benoemd tot rijkskanselier. Kort daarna vond de Rijksdagbrand plaats, waarbij het Duitse parlementsgebouw in Berlijn afbrandde.

Hitler beschuldigde de communisten van een staatsgreep en overtuigde het parlement om de machtigingswet aan te nemen. Deze wet droeg de parlementaire bevoegdheden over aan de regering, waardoor Hitler zonder democratische controle besluiten kon nemen. Dit betekende het definitieve einde van de Weimarrepubliek.
Gevolgen voor Duitsland
Na de machtsovername veranderde Hitler Duitsland in een totalitair regime: een staatsvorm waarin de overheid de volledige controle heeft over het politieke, culturele, sociale en economische leven van burgers. Dit proces noemen we nazificatie. Alle politieke partijen behalve de NSDAP werden verboden, onderwijsprogramma's werden aangepast en kunstenaars moesten lid worden van een nazi-beroepsvereniging. Tegelijkertijd werden politieke tegenstanders, zoals communisten en sociaaldemocraten, met terreur vervolgd. Het regime streefde naar het creëren van de Volksgemeinschaft: de ideale, harmonieuze en 'raszuivere' samenleving volgens het nationaalsocialisme. Wie hier niet in paste — zoals Joden, Roma, Sinti, gehandicapten en homoseksuelen — werd stelselmatig buitengesloten en gediscrimineerd. Desondanks kreeg het regime veel steun van de bevolking, doordat de economie opveerde en de werkloosheid vrijwel verdween.
Gevolgen voor Europa en Nederland
Hitler voerde een agressieve buitenlandpolitiek en eiste dat alle Duitstalige gebieden bij Duitsland werden gevoegd. Frankrijk en Groot-Brittannië voerden een appeasementpolitiek: een buitenlandse politiek die erop gericht was de vrede te bewaren door toe te geven aan de eisen van Hitler. Dit beleid bereikte zijn hoogtepunt tijdens de Conferentie van München (1938), waar Hitler toestemming kreeg om Sudetenland (een deel van Tsjecho-Slowakije) in te nemen.

Toen Duitsland in september 1939 Polen binnenviel, verklaarden Groot-Brittannië en Frankrijk de oorlog aan Duitsland. Dit markeerde het begin van de Tweede Wereldoorlog. Duitsland veroverde in de eerste oorlogsjaren een groot deel van Europa, waaronder de bezetting van Nederland in 1940. In de bezette gebieden werd de rechtsstaat buiten werking gesteld. De bezetter voerde de arbeidsdienst in: de gedwongen tewerkstelling van burgers in de Duitse oorlogsindustrie. De Joodse bevolking werd buitengesloten, gedeporteerd en systematisch vermoord. Deze genocide staat bekend als de Holocaust (of Shoah), waarbij ruim zes miljoen Joden en honderdduizenden Roma en Sinti werden omgebracht.
Duitsland na de oorlog (1945-1961)
Duitsland direct na de oorlog en denazificatie
In mei 1945 capituleerde Duitsland onvoorwaardelijk na een tweefrontenoorlog tegen de geallieerden. Het land was moreel, politiek en economisch verwoest. Miljoenen mensen waren op drift, waaronder overlevenden van het naziregime, terugkerende soldaten en de Heimatvertriebene: Duitstalige inwoners uit Midden- en Oost-Europa die na de oorlog uit hun woongebieden werden verjaagd. De geallieerden deelden Duitsland en de hoofdstad Berlijn op in vier bezettingszones onder bestuur van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie. De bezetters begonnen direct met de denazificatie: het verwijderen van alle herinneringen aan het nationaalsocialisme uit de openbare ruimte en het berechten van nazi-kopstukken. In de westelijke bezettingszones lag de nadruk op 'heropvoeding' van de bevolking. In de oostelijke bezettingszone voerde de Sovjet-Unie op grote schaal executies en deportaties naar strafkampen uit.
Twee invloedssferen in Europa
Al snel ontstond er grote verdeeldheid tussen de westerse geallieerden en de Sovjet-Unie over het bestuur en de wederopbouw van Europa. In West-Europa herstelden de Amerikanen de liberale democratieën met een vrijemarkteconomie. In Oost-Europa installeerde Sovjetleider Jozef Stalin communistische volksdemocratieën: staten waarin verkiezingen schijn waren omdat men alleen op door de communistische partij goedgekeurde kandidaten kon stemmen. Deze landen werden in feite vazalstaten onder gezag van Moskou. De Verenigde Staten vreesden de verdere verspreiding van het communisme. President Truman lanceerde daarom de Trumandoctrine: het Amerikaanse beleid om landen die bedreigd werden door het communisme te steunen met geld en militaire middelen. Een belangrijk onderdeel hiervan was het Marshallplan (of Marshallhulp): een grootschalig economisch steunprogramma voor het herstel en de eenwording van Europa.

Hierdoor raakte Europa verdeeld in twee ideologische blokken of invloedssferen. Dit leidde tot de Koude Oorlog: een periode van permanente spanning en oorlogsdreiging (1945-1991) tussen het kapitalistische Westen en het communistische Oosten, gekenmerkt door een intense wapenwedloop met atoomwapens.
Duitsland raakt verdeeld: Blokkade van Berlijn
In 1948 liepen de spanningen in Duitsland hoog op. Toen de westerse geallieerden in hun zones een nieuwe munt (de D-mark) invoerden, reageerde Stalin met de Blokkade van Berlijn: hij sloot alle weg- en spoorverbindingen naar het ingesloten West-Berlijn af. De Amerikanen omzeilden de blokkade door het instellen van een luchtbrug: een continue bevoorrading van de stad via vrachtvliegtuigen.

De blokkade mislukte en werd in 1949 opgeheven. De crisis maakte de deling van Duitsland definitief. In 1949 werden twee afzonderlijke staten gesticht:
•Bondsrepubliek Duitsland (BRD): de democratische en kapitalistische staat in het westen.
•Duitse Democratische Republiek (DDR): de communistische staat in het oosten.
De Bondsrepubliek Duitsland (BRD)
Onder leiding van de eerste christendemocratische bondskanselier Konrad Adenauer ontwikkelde de BRD zich tot een stabiele democratie.

Adenauer koos voor een sterke binding met het Westen (Westbindung). De BRD trad toe tot de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), het westerse militaire bondgenootschap, en was in 1951 medeoprichter van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Deze samenwerking nam de vrees voor een herleving van het Duitse militarisme bij buurlanden weg. Dankzij de Marshallhulp en de marktwerking beleefde de BRD het Wirtschaftswunder: een zeer snelle economische wederopbouw en welvaartsgroei. Om de stabiliteit te bewaren, stopte de regering-Adenauer in de jaren vijftig met de actieve denazificatie. Veel voormalige nazi's keerden vanwege hun vakkennis terug op belangrijke posities in het bestuur en de rechtspraak. Adenauer weigerde de DDR te erkennen en zag de BRD als de enige legitieme vertegenwoordiger van het Duitse volk.
De Duitse Democratische Republiek (DDR)
De DDR ontwikkelde zich onder communistisch partijleider Walter Ulbricht tot een totalitaire eenpartijstaat naar het model van de Sovjet-Unie.

De staat voerde een strikte planeconomie in, waarbij de overheid via meerjarenplannen bepaalde wat er geproduceerd werd. Onderwijs en propaganda werden ingezet om burgers tot communisten op te voeden. De Staatssicherheitsdienst (Stasi), de geheime dienst van de DDR, bespioneerde de eigen bevolking en onderdrukte elke vorm van kritiek. De onvrede over de dwang en de lage levensstandaard leidde in juni 1953 tot een grote arbeidersopstand in de DDR. Deze opstand werd met geweld neergeslagen door ingrijpende Sovjettanks.

De DDR sloot zich aan bij het Oostblok (de verzameling communistische landen onder leiding van de Sovjet-Unie). Het werd lid van het Warschaupact (de militaire tegenhanger van de NAVO) en de Comecon (het communistische economische samenwerkingsverband). Door de inefficiënte planeconomie en de zware herstelbetalingen aan de Sovjet-Unie bleef de welvaart ver achter bij de BRD. Om te voorkomen dat goedopgeleide burgers via het open West-Berlijn naar het Westen bleven vluchten, lieten de Sovjet-Unie en het DDR-bewind in augustus 1961 de Berlijnse Muur bouwen: een zwaar bewaakte betonnen afscheiding die West-Berlijn volledig hermetisch afsloot.
De hereniging van Duitsland (1961-1991)
Gedeeltelijke ontspanning (detente) en Ostpolitik
Na de Cubacrisis van 1962 brak een periode van detente aan: een fase van relatieve ontspanning en toenadering tussen de VS en de Sovjet-Unie (1963-1979). In 1969 werd Willy Brandt bondskanselier van de BRD. Hij lanceerde de Ostpolitik: een buitenlandbeleid gericht op het verbeteren van de betrekkingen met de DDR, de Sovjet-Unie en andere Oostbloklanden. Brandt erkende dat confrontatie de Duitse deling niet kon opheffen. In 1970 maakte hij een historische knieval bij het gedenkteken voor de Joodse opstand in het getto van Warschau.

De Ostpolitik leidde er in 1972 toe dat de BRD en de DDR elkaar erkenden als gelijkwaardige staten in de internationale politiek. Toch hield Brandt vast aan het westerse bondgenootschap en de Europese integratie. DDR-leider Erich Honecker (die Ulbricht in 1971 opvolgde) zag de deling daarentegen als definitief en hield vast aan de communistische koers.
Links terrorisme in de BRD
In de jaren zestig ontstond in de BRD een breuk tussen de jongere generatie en de oudere generatie die de nazi-tijd had meegemaakt. Linkse studenten bekritiseerden het kapitalisme, de consumptiecultuur en vooral het feit dat de denazificatie niet grondig was uitgevoerd, waardoor voormalige nazi's nog steeds topposities bekleedden. Een kleine groep jongeren radicaliseerde in de jaren zeventig tot de Rote Armee Fraktion (RAF), met als bekende kern de Baader-Meinhof-Gruppe. Deze extremistische groepering wilde de westerse samenleving ontwrichten door middel van geweld, waaronder bomaanslagen, overvallen en ontvoeringen (zoals de moord op werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer in 1977). De RAF werd heimelijk gesteund met geld en schuiladressen door het bewind in de DDR.
Hervormingen in de Sovjet-Unie
In de jaren tachtig raakte de Sovjet-Unie in een diepe economische crisis door de inefficiënte planeconomie en de onbetaalbaar geworden wapenwedloop. In 1985 trad Michael Gorbatsjov aan als nieuwe leider van de Communistische Partij.

Om het communisme te redden voerde Gorbatsjov ingrijpende vernieuwingen door:
•glasnost: openheid van bestuur en meer vrijheid van meningsuiting, waardoor burgers en media kritiek mochten uiten.
•perestrojka: hervorming van de economie en het politieke systeem, waarbij meer marktwerking werd toegestaan.
Gorbatsjov liet bovendien de Brezjnevdoctrine (1968) los: de afspraak dat de Sovjet-Unie militair zou ingrijpen als het communisme in een Oostblokland werd bedreigd. Het loslaten van deze doctrine zorgde ervoor dat in 1989 democratiseringsgolven ontstonden in Polen en Hongarije. Toen Hongarije zijn grens met Oostenrijk opende, ontstond er een gat in het IJzeren Gordijn.
De val van de Berlijnse Muur en de hereniging
De leiders van de DDR weigerden de hervormingen van Gorbatsjov over te nemen, maar kregen te maken met massale protestacties van de eigen bevolking die meer vrijheid eiste. Honderdduizenden burgers vluchtten via Oostenrijk naar het Westen. Onder druk van deze gebeurtenissen maakte de DDR-regering op 9 november 1989 onverwacht bekend dat het reisverbod werd opgeheven. Dit leidde nog diezelfde avond tot de val van de Berlijnse Muur: burgers sloopten de scheiding en staken massaal de grens over. De DDR stortte politiek en economisch in. Bondskanselier Helmut Kohl greep deze kans aan en leidde het proces naar de hereniging van Duitsland. Op 3 oktober 1990 hief de DDR zichzelf op en trad toe tot de Bondsrepubliek Duitsland. Berlijn werd weer de hoofdstad van het herenigde land. In 1991 trad Gorbatsjov af en kwam er formeel een einde aan het communistische bewind in de Sovjet-Unie.
Problemen van het herenigde Duitsland
De hereniging bracht grote uitdagingen met zich mee, zowel internationaal als binnenlands:
•Internationale bezwaren: landen als Frankrijk en Groot-Brittannië vreesden dat een herenigd Duitsland Europa weer zou overheersen. Om deze angst weg te nemen, ging Kohl akkoord met de invoering van de euro en verdere Europese integratie. Dit werd vastgelegd in het Verdrag van Maastricht, wat leidde tot de oprichting van de Europese Unie (EU).
•Binnenlandse economische kloof: de inefficiënte Oost-Duitse staatsbedrijven konden de concurrentie van het westerse kapitalisme niet aan en gingen massaal failliet. Dit leidde tot hoge werkloosheid in de voormalige DDR en enorme kosten voor West-Duitsland om de oostelijke infrastructuur te moderniseren.
•Maatschappelijke spanningen: de economische verschillen veroorzaakten een mentale kloof tussen Oost- en West-Duitsers. Daarnaast zorgde de stijgende immigratie van arbeidsmigranten en vluchtelingen voor politieke spanningen, die door het historische naziverleden van Duitsland een extra gevoelige lading kregen.