Les over HISTORISCHE CONTEXT 1 Steden en burgers in de Lage Landen 1050-1700

Les over HISTORISCHE CONTEXT 1 Steden en burgers in de Lage Landen 1050-1700

Gemaakt door Ainstein
HISTORISCHE CONTEXT 1 Steden en burgers in de Lage Landen 1050-1700
Deze video bestaat uit
  • Verstedelijking en centralisatieVerstedelijking en centralisatie
  • Verstedelijking in Artesië en VlaanderenVerstedelijking in Artesië en Vlaanderen
  • Handelscentrum BruggeHandelscentrum Brugge
  • Stichting van een Nederlandse staatStichting van een Nederlandse staat
  • De bijzondere plaats van de RepubliekDe bijzondere plaats van de Republiek
  • AbsolutismeAbsolutisme
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 59:02
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Steden en burgers in de Lage Landen 1050-1700 samengevat

Leerdoelen

Je kunt de oorzaken van de stijgende landbouwproductiviteit vanaf de 11e eeuw benoemen.

Je kunt de ontwikkeling van een monetaire economie verklaren.

Je kunt de opkomst van een agrarisch-urbane samenleving in de Nederlandse gewesten beschrijven.

Je kunt de gevolgen van stadsrechten voor de positie van een stad uitleggen.

Je kunt de economische ontwikkeling van Vlaanderen in de late middeleeuwen toelichten.

Je kunt de politieke spanningen in de middeleeuwse stad verklaren.

Je kunt de functies van steden binnen het Nederlandse stedelijke netwerk rond 1300 uitleggen.

Je kunt de rol van de wisselbrief in de internationale handel toelichten.

Je kunt de veranderende relatie tussen de burgerij en de geestelijkheid beschrijven.

Je kunt de invloed van de moderne devotie op de individuele geloofsbeleving verklaren.

Je kunt de gevolgen van de centralisatiepolitiek voor de stedelijke burgerij uitleggen.

Je kunt de politieke en religieuze oorzaken van de Nederlandse Opstand analyseren.

Je kunt de bestuurlijke inrichting van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden analyseren.

Je kunt de rol van de VOC in de wereldeconomie toelichten.

Je kunt de oorzaken van de economische groei in de Republiek verklaren.

Je kunt het ontstaan van een burgerlijke cultuur in de Republiek toelichten.

Je kunt de impact van het mercantilisme op de handel van de Republiek verklaren.

Je kunt de oorzaken voor het einde van het economische succes van de Republiek benoemen.

Je kunt de politieke gevolgen van de economische neergang in de Republiek beschrijven.

Belangrijke jaartallen

1122: utrecht verkrijgt stadsrechten van de lokale vorst.

1302: vlaamse ambachtslieden en boeren verslaan een Frans ridderleger tijdens de Guldensporenslag bij Kortrijk.

1384-1482: de Lage Landen worden bestuurd door de Bourgondische hertogen, die een beleid van centralisatie inzetten.

1430: filips de Goede sticht de Orde van het Gulden Vlies in Brugge om de banden met de adel aan te halen.

1482: de Lage Landen komen onder het bestuur van de machtige Habsburgse dynastie.

1566: protestanten vernielen het interieur van katholieke kerken tijdens de Beeldenstorm.

1568: begin van de Nederlandse Opstand tegen het Spaanse Rijk onder leiding van Willem van Oranje.

1585: antwerpen geeft zich over aan het Spaanse leger, waarna vluchtelingen met hun kapitaal naar Amsterdam trekken.

1602: oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) met een handelsmonopolie op Oost-Indië.

1618-1648: de Dertigjarige Oorlog belemmerde de economische groei in het Duitse Rijk, waar de Republiek van profiteerde.

1672: het Rampjaar waarin de Republiek wordt aangevallen door Frankrijk, Engeland en twee Duitse staten.

De opkomst van een stedelijke burgerij (1050-1302)

In de 10e eeuw lagen de Lage Landen grotendeels in het Heilige Roomse Rijk. Dit rijk werd op feodale wijze bestuurd via een netwerk van leenmannen (graven en hertogen), die hun gebieden of gewest bestuurden in naam van de keizer. In ruil voor militaire bescherming verleenden de bewoners diensten aan hun lokale heer. De samenleving was voornamelijk agrarisch en zelfvoorzienend: vrijwel iedereen werkte in de landbouw en de economie was gebaseerd op ruilhandel. Vanaf de 11e eeuw veranderde deze structuur door een sterke stijging van de landbouwproductiviteit. Hiervoor waren drie belangrijke oorzaken:

Ontginningen: bossen werden gekapt en moerassen en venen werden drooggelegd om extra akkerbouwgrond te creëren.

Het drieslagstelsel: in plaats van het oude tweeslagstelsel werd een akker in het eerste jaar in ingezaaid met zomergraan, het tweede jaar met wintergraan en het derde jaar braak gelaten voor bodemherstel. Dit leverde aanzienlijk meer graan op.

Technologische vernieuwingen: de invoering van een zwaardere, verbeterde ploeg en het vervangen van ossen door sterkere trekpaarden maakten een efficiëntere grondbewerking mogelijk.

Deze hogere landbouwproductie leidde tot een bevolkingsgroei (in het huidige Nederland van circa 300.000 inwoners rond het jaar 1000 naar 700.000 rond 1300). Bovendien hoefde niet iedereen meer op het platteland te werken. Lieden gingen zich specialiseren in ambachten (zoals kleding of werktuigen) en boden deze aan op centrale plekken, zoals rivierkruisingen. Zo ontstonden steden en ontwikkelde zich een agrarisch-urbane samenleving: een maatschappijvorm waarin de meeste mensen in de landbouw werken, maar waarin ook steden bestaan met handelaren en ambachtslieden. De toename van de handel stimuleerde bovendien het hergebruik van geld als ruilmiddel, waardoor een monetaire economie herleefde.

Stadsrechten en economische verandering

Om hun handel en bestuur te beschermen, vroegen stedelingen aan hun leenheer om stadsrecht. Dit gaf een stad recht op eigen bestuur, eigen rechtspraak en de bouw van een verdedigingsmuur. In ruil daarvoor ontving de vorst belastinginkomsten en militaire steun. Inwoners met burgerrechten werden burgerij of poorter genoemd. Nieuwkomers moesten betalen om het burgerrecht te verkrijgen; zij brachten vers kapitaal en kennis naar de stad. Steden verkregen ook het marktrecht om meerdere keren per jaar (jaar)markten te organiseren. Een stad vervulde zo een centrale functie voor het omliggende platteland, het verzorgingsgebied. De grote steden vormden samen een internationaal handelsnetwerk dat reikend van West-Europa tot Noord-Italië liep. Vlaanderen werd vanaf de 11e eeuw een van de meest verstedelijkte gebieden van Europa. Tot 1300 was de stad Atrecht (Arras) het economische zwaartepunt van deze regio. Dit kwam door de vestiging van een bisdom (wat zorgde voor vraag naar luxegoederen en bouwprojecten) en de bloeiende lakennijverheid op basis van de lokale schapenhouderij. Laken was een hoogwaardige wollen stof die via Europese netwerken werd verhandeld.

Sociale spanningen en de Guldensporenslag

Binnen de stedelijke burgerij ontstonden grote sociale verschillen. Rijke kooplieden vormden de bovenlaag van de stedelijke elite: de patriciër-klasse. De overige inwoners (ambachtslieden, arbeiders) werden aangeduid als het gemeen. Patriciërs versterkten hun macht door bestuursfuncties (zoals burgemeester en schepen) onder elkaar te verdelen, geld uit te lenen aan de lokale vorsten en de leiding te nemen in gilden. Een gilde was een vereniging van beroepsgenoten. Koopliedengilden bepaalden in toenemende mate de grondstofprijzen en lonen van ambachtslieden, wat tot grote onvrede leidde bij het gemeen. Aan het eind van de 13e eeuw escaleerden de spanningen in Vlaanderen. Het gemeen kwam in opstand tegen de corruptie van de patriciërs. De Franse koning (de leenheer van Vlaanderen) schoot de patriciërs te hulp met een ridderleger. Ambachtslieden en boeren bewapenden zich en namen het op tegen de Fransen. In 1302 vond de Guldensporenslag bij Kortrijk plaats. De ambachtslieden en boeren versloegen het Franse ridderleger, wat bewees dat het gewone volk opgewassen was tegen de feodale machthebbers en patriciërs.

Historische prent van de Guldensporenslag in 1302 bij Kortrijk
Historische prent van de Guldensporenslag in 1302 bij Kortrijk

De positie van de stedelijke burgerij (1302-1602)

Na 1300 verschoof het economische zwaartepunt in de Lage Landen van Atrecht naar Vlaanderen en Brabant. Atrecht verloor zijn positie doordat de handel over water belangrijker werd (waar steden zoals Brugge directe toegang tot de Noordzee hadden) en doordat de internationale financiële handel veranderde. Om niet met fysieke munten te hoeven reizen over lange afstanden, introduceerden kooplieden de wisselbrief: een document waarop betalingsafspraken en verschuldigde geldbedragen werden vastgelegd. Tevens ontstonden de eerste banken en beursgebouwen. Binnen het Nederlandse stedelijke netwerk kreeg elke stad een eigen, gespecialiseerde functie:

Brugge: het internationale centrum voor geldhandel en financiële diensten met een eigen koopmansbeurs. Het sloot aan op de Hanze, een machtig handelsnetwerk van steden rond de Noord- en Oostzee.

Antwerpen: de voornaamste doorvoerhaven voor de goederenhandel met het Europese achterland, die ook geschikt was voor de grotere zeeschepen van Italiaanse handelsvloten.

Amsterdam: specialiseerde zich vanaf circa 1350 in de handel op het Oostzeegebied. Omdat de Hollandse bodem door klink ongeschikt was voor graanteelt, voerden Amsterdamse schepen op grote schaal graan in.

Religieuze veranderingen en vroomheid

Stedelijke burgers namen de zorg voor het algemeen welzijn, het bonum commune, steeds meer over van de kerk. Ze stichtten eigen ziekenhuizen, scholen en armenhuizen. Hierdoor werd de burgerij onafhankelijker van de geestelijkheid. In de 14e en 15e eeuw ontstond er kritiek op kerkelijke misstanden en verlangden burgers naar een meer persoonlijke geloofsbeleving. Een belangrijke stroming was de moderne devotie, gesticht in Deventer. Volgelingen (zowel leken als geestelijken) streefden naar een individuele band met God zonder noodzakelijke tussenkomst van de kerkhiërarchie. Deze zoektocht uitte zich ook in de opkomst van een begijn (vrouwelijke leken die in besloten begijnhoven leefden) en de populariteit van een bedelorde (monniken die in armoede leefden van liefdadigheid).

Portret van de protestantse hervormer Johannes Calvijn
Portret van de protestantse hervormer Johannes Calvijn

Deze vroomheidsbewegingen maakten de weg vrij voor de Reformatie of kerkhervorming in de 16e eeuw, die leidde tot een definitieve breuk in het West-Europese christendom. Het protestantisme verzamelde diverse hervormingsbewegingen, waaronder het lutheranisme (volgelingen van Maarten Luther) en het calvinisme (volgelingen van Johannes Calvijn). Het calvinisme kreeg veel voet aan de grond in de Nederlandse steden.

Centralisatie versus particularisme

Vanaf de 14e eeuw probeerden de heersers van de Lage Landen — achtereenvolgens de hertogen van Bourgondië (1384-1482) en de machtige familie Habsburg (vanaf 1482) — hun gebieden te verenigen. Zij streefden naar centralisatie: het bestuur van de gehele staat organiseren vanuit één centraal punt met uniforme wetten en belastingen. De steden verzetten zich hiertegen ter bescherming van hun particularisme: het recht om beslissingen zelfstandig te nemen op basis van hun eigen regionale of stedelijke belangen. Door het herstel van de geldeconomie konden vorsten echter eigen ambtenaren en beroepslegers financieren, waardoor hun greep verstevigde. Verzet van steden zoals Brugge leidde tot slepende conflicten en uiteindelijk economische achteruitgang. Onder keizer Karel V (Habsburgs vorst) werd het centrale bestuur in Brussel gevestigd en werden belastingen verhoogd. Om het katholieke geloof te beschermen, vaardigde Karel V strenge wetten uit tegen het protestantisme, waarop de doodstraf kwam te staan.

De Beeldenstorm en de Nederlandse Opstand

Karel V werd opgevolgd door zijn zoon Filips II, die de centralisatie en de kettervervolgingen intensiveerde. De spanningen ontlaadden zich in 1566 in de Beeldenstorm: protestanten bestormden katholieke kerken en vernielden heiligenbeelden en altaren.

Ets van de vernielingen tijdens de Beeldenstorm in 1566
Ets van de vernielingen tijdens de Beeldenstorm in 1566

Als reactie stuurde Filips II de hertog van Alva met een Spaanse troepenmacht naar de Nederlanden. Nederlandse burgers en edelen verenigden zich onder leiding van Willem van Oranje, wat het begin markeerde van de Nederlandse Opstand.

Ets van de moord op Willem van Oranje in 1584 door Balthasar Gerards
Ets van de moord op Willem van Oranje in 1584 door Balthasar Gerards

In 1585 werd Antwerpen na een lang beleg heroverd door de Spanjaarden. Veel protestantse Antwerpenaren vluchtten naar het noorden en namen hun kapitaal, kennis en handelsnetwerken mee naar Amsterdam. Dit gaf een enorme stimulans aan het gewest Holland. De opstandige noordelijke gewesten kozen uiteindelijk voor volledige afscheiding. In plaats van een nieuwe vorst te zoeken, stichtten zij een republiek: een staat zonder vorst waarin het gezag gedragen werd door de burgers zelf. Belangrijk uitgangspunt voor veel bestuurders werd de gewetensvrijheid: het recht van iedere burger om thuis zijn eigen geloof te kiezen.

Een welvarende republiek (1602-1700)

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was een unieke staatsvorm in het 17e-eeuwse Europa, waar absolute vorsten de dienst uitmaakten. De afzonderlijke gewesten en steden behielden een grote mate van zelfstandigheid. Het bestuur van de steden kwam in handen van rijke kooplieden, die regent werden genoemd. Op landelijk niveau kwamen afgevaardigden van de gewesten samen in de Staten-Generaal. Daarnaast vervulde de stadhouder (afkomstig uit het Huis van Oranje) een centrale rol als aanvoerder van het leger en de vloot. Dit leidde tot een spanningsveld: regenten hechtten aan hun particularisme en vrede voor de handel, terwijl de stadhouder streefde naar meer centrale macht.

Kaart van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden met haar gewesten
Kaart van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden met haar gewesten

Vanwege de voortdurende strijd tegen Spanje ontstond een oorlogseconomie: de winsten uit het handelsnetwerk werden ingezet om de strijd te financieren. Om de Spaanse handel in Azië te treffen, werd in 1602 de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht. De VOC kreeg het handelsmonopolie op Oost-Indië en het recht om daar forten te bouwen en oorlog te voeren.

Oorzaken van de Gouden Eeuw

De 17e eeuw staat bekend als de Gouden Eeuw vanwege de enorme economische en culturele bloei. Deze bloei werd gedreven door meerdere factoren:

Moedernegotie en overzeese handel: de handel op de Oostzee (graanimport) vormde het fundament van de welvaart, aangevuld met handel op Azië en de Middellandse Zee.

Technische innovaties: investeringen in zaagmolens, raspmolens, papierfabricage en de aanleg van droogmakerijen (polders) voor landbouwgrond.

Stapelmarkt Amsterdam: na de val van Antwerpen werd Amsterdam het financiële hart en de belangrijkste stapelmarkt van de wereld, waar goederen uit alle windstreken werden opgeslagen en doorverkocht.

Internationale situatie: onrust in omringende landen (zoals de Dertigjarige Oorlog in het Duitse Rijk tussen 1618 en 1648) gaf de Republiek een voorsprong in de internationale tussenhandel.

Burgerlijke cultuur

Door de welvaart en de heersende gewetensvrijheid trok de Republiek veel migranten aan. Steden groeiden snel; in Amsterdam werd een nieuwe grachtengordel aangelegd voor welvarende kooplieden. Anders dan in Europese koninkrijken waar de vorst de kunst dicteerde, ontstond in de Republiek een uitgesproken burgerlijke cultuur. Rijke burgers lieten zich afbeelden op portretten of kozen voor genreschilderijen van het dagelijks leven. Kunstschilders zoals Rembrandt van Rijn vonden in deze rijke regenten hun belangrijkste opdrachtgevers.

Schilderij van Jan Steen met een impressie van het burgerlijke leven in de 17e eeuw
Schilderij van Jan Steen met een impressie van het burgerlijke leven in de 17e eeuw

Economische neergang en oligarchisering

Na de Vrede van Münster (1648) herstelde de situatie in Europa zich. Frankrijk en Engeland ontwikkelden zich tot sterke concurrenten van de Republiek. De Franse koning Lodewijk XIV streefde naar absolutisme (volledige, onbeperkte macht) en voerde een sterk mercantilisme: een economische politiek die de eigen economie beschermt door de export te stimuleren en de import te remmen met invoerrechten. De Republiek, die afhankelijk was van vrije wereldhandel, ondervond hier grote schade van.

Afbeelding van de Franse koning Lodewijk XIV in zonne-balletkostuum
Afbeelding van de Franse koning Lodewijk XIV in zonne-balletkostuum

De economische neergang versterkte de interne politieke strijd in de Republiek tussen twee groepen:

Staatsgezind: regenten onder leiding van raadpensionaris Johan de Witt, die gekant waren tegen een sterke stadhouder en de macht bij de gewesten wilden houden.

Oranjegezind: voornamelijk steunend op het gemeen, die wensten dat de stadhouder meer macht kreeg om de regenten te controleren.

In 1672, het Rampjaar, werd de Republiek gelijktijdig aangevallen door Frankrijk, Engeland en twee Duitse staten. Johan de Witt werd door de volksmassa vermoord, waarna Willem III als stadhouder werd aangesteld. Hoewel de invallers werden verdreven, kwam er een definitief einde aan de economische hegemonie van de Republiek. Engeland nam de leidersrol in de wereldhandel over. In de bestuurlijke verhoudingen sloot het stadsbestuur zich steeds meer af tot een oligarchie: een bestuursvorm waarin de macht bevroren bleef in de handen van een hele kleine, besloten groep van rijke regentenfamilies.