Les over 6.3 De machtige kerk

Les over 6.3 De machtige kerk

Gemaakt door Ainstein
6.3 De machtige kerk
Deze video bestaat uit
  • De strijd tussen kerk en staatDe strijd tussen kerk en staat
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 02:48
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe machtig was de christelijke kerk in de middeleeuwen?

Leerdoelen

Je kunt de kenmerken van de romaanse en gotische bouwstijl van middeleeuwse kerken beschrijven en vergelijken.

Je kunt uitleggen hoe het geloof in het hiernamaals de macht van de kerk vergrootte.

Je kunt beschrijven hoe de kerk optrad tegen ketters en heksen via de inquisitie.

Je kunt verklaren waarom Joden in de middeleeuwse samenleving werden buitengesloten en vervolgd.

Je kunt de structuur van het kerkelijk bestuur en de Investituurstrijd tussen de vorsten en de kerk toelichten.

Kerkenbouw in de middeleeuwen

Door de toenemende welvaart in de steden was er geld voor de bouw van grote, indrukwekkende kerken. Vooral de bouw van een kathedraal (een bisschopskerk) was een manier voor burgers om hun rijkdom en geloof te tonen. Tussen de elfde en zestiende eeuw ontwikkelden zich twee belangrijke bouwstijlen:

Kenmerk
Romaanse bouwstijl (ca. 1000 - 1200)
Gotische bouwstijl (ca. 1200 - 1500)
Muren
Dikke muren die het gewicht van het dak droegen.
Dunnere muren die aan de buitenkant werden ondersteund door stenen bogen.
Ramen
Kleine ramen om de muren stevig te houden.
Grote ramen met kleurrijke afbeeldingen van glas in lood.
Bogen
Ronde bogen, geïnspireerd op Romeinse bouwwerken.
Spitse bogen die zorgden voor een grotere hoogte.
Hoogte
Relatief laag en massief.
Zeer hoog, gericht naar de hemel.

Omdat veel middeleeuwers niet konden lezen, leerden zij de verhalen uit de Bijbel en over de levens van heiligen door te kijken naar de schilderingen en glas-in-loodramen in de kerk.

Historische prent van de Domkerk en Domtoren in Utrecht, een voorbeeld van een gotische kathedraal
Historische prent van de Domkerk en Domtoren in Utrecht, een voorbeeld van een gotische kathedraal

Kerk, geloof en het hiernamaals

In de middeleeuwen stond het leven na de dood centraal. De kerk leerde dat de ziel na het overlijden op een van de volgende drie plekken terecht kon komen:

De hemel: De bestemming voor mensen die goed en vroom geleefd hadden. Zij gingen na hun dood direct naar deze gelukzalige plek.

Het vagevuur: Een tijdelijke plek waar de meeste mensen na hun dood gestraft werden om hun zonden te reinigen voordat ze naar de hemel mochten.

De hel: Een angstaanjagende plek vol duivels en monsters waar mensen die een doodzonde (zoals moord) hadden begaan, eeuwig moesten branden.

Geestelijken vertelden de gelovigen hoe zij hun tijd in het vagevuur konden verkorten. Dit kon door veel te bidden, aan liefdadigheid te doen of een aflaat te kopen. Een aflaat was een kwijtschelding van straf voor begane zonden. Gelovigen konden ook op bedevaart gaan: een reis naar een heilige plaats om daar te bidden. Een succesvolle bedevaart leverde een volledige aflaat op, waardoor men geloofde na de dood direct in de hemel te komen. Daarnaast baden mensen tot heiligen voor hulp en bescherming. Elke stad en beroepsgroep had een eigen beschermheilige. Ook vereerden gelovigen relikwieën: heilige overblijfselen zoals botten of kledingstukken van heiligen, die in kerken werden bewaard. Door deze diepe geloofsovertuigingen beheerste de kerk het dagelijks leven en bezat zij enorme macht.

Het kerkelijke bestuur en de strijd met de staat

De katholieke kerk had een strakke hiërarchische structuur:

De paus: De bisschop van Rome en het absolute hoofd van de gehele katholieke kerk.

De bisschop: Het hoofd van een bisdom (een kerkelijk gebied dat meerdere parochies omvatte). Bisschoppen hadden vaak ook wereldlijke macht als leenmannen van de vorst.

De priester: De geestelijke die de dagelijkse taken uitvoerde in de lokale parochiekerk.

Toen vorsten in de late middeleeuwen probeerden een centraal bestuur te vestigen en eenvormige wetten in te voeren, botsten zij met de macht van de kerk. Dit leidde tot de Investituurstrijd: een langdurig conflict over de vraag wie het recht had om bisschoppen te benoemen. Vorsten dezen dit recht te behouden omdat bisschoppen belangrijke leenmannen in hun bestuur waren, terwijl de paus claimde dat alleen de kerk deze spirituele autoriteit bezat. In 1122 werd een compromis bereikt waarbij de kerk de bisschoppen koos, maar de vorst invloed behield op hun wereldlijke bezittingen.

Vervolging van ketters en heksen

Mensen die afweken van de officiële leer of het gedrag van de kerk werden streng aangepakt:

Ketters: Christenen die er ideeën op nahielden die afweken van de officiële kerkleer. Om hen op te sporen en te veroordelen, richtte de paus in 1232 de inquisitie op, een speciale kerkelijke rechtbank. Verdachten werden vaak gemarteld om een bekentenis af te dwingen. Wie weigerde zijn afwijkende ideeën op te geven, riskeerde de brandstapel.

Heksen: Mannen of vrouwen die ervan verdacht werden tovenarij te gebruiken met hulp van de duivel. Beschuldigingen van hekserij laaiden vaak op na rampen zoals misoogsten of epidemieën. Vooral sociaal kwetsbare groepen, zoals alleenwonende oudere vrouwen met kennis van kruiden, werden het slachtoffer. De grootschalige heksenvervolgingen kostten tussen 1450 en 1750 aan tienduizenden mensen het leven, van wie circa 80 procent vrouw was.

Uitsluiting en vervolging van Joden

Joden leefden als een minderheid in Europa en kregen te maken met diepgaand antisemitisme (Jodenhaat). Dit had verschillende oorzaken:

Religieuze vijandigheid: Christenen namen het Joden kwalijk dat zij Jezus niet erkenden als de messias (de door God gezonden verlosser) en hielden hen verantwoordelijk voor de kruisiging van Jezus.

Maatschappelijke uitsluiting: Joden mochten geen grond bezitten, geen lid worden van een gilde en geen stadsbestuurder worden. In sommige steden moesten zij verplicht in een afgesloten wijk, een getto, wonen. Vanaf 1215 verplichtte de kerk Joden bovendien om een herkenbaar teken (zoals een gele lap) op hun kleding te dragen om relaties met christenen te voorkomen.

Economische spanningen: Omdat Joden uitgesloten waren van de meeste gildeberoepen, verdienden velen hun geld met het uitlenen van geld tegen rente. Hoewel hier door de opbloeiende handel veel vraag naar was, veroordeelde de kerk renteheffing als een zonde, wat de haat tegen Joden verder aanwakkerde.

Tijdens de verwoestende pestepidemie in de veertiende eeuw kregen Joden de schuld van de ziekte; men beweerde ten onrechte dat zij waterputten hadden vergiftigd. Dit leidde tot bloedige pogroms: gewelddadige uitbarstingen tegen Joodse gemeenschappen. In 1349 werden Joden in steden zoals Utrecht, Kampen, Deventer en Zwolle massaal vermoord of verdreven.

Belangrijke jaartallen

1000 – 1200: Bloeiperiode van de romaanse bouwstijl in Europa.

1122: Compromis in de Investituurstrijd over de benoeming van bisschoppen.

1194: Brand van de kathedraal van Chartres, waarna de herbouw in gotische stijl begon.

1200 – 1500: Bloeiperiode van de gotische bouwstijl in Europa.

1215: De kerk verplicht Joden tot het dragen van een herkenningsteken op hun kleding.

1232: Oprichting van de inquisitie door de paus om ketterij te bestrijden.

1349: Hevige pogroms tegen Joden in diverse Nederlandse en Europese steden tijdens de pestepidemie.

1450 – 1750: Periode van grootschalige heksenvervolgingen in Europa.

1516: Overlijden van de beroemde schilder Jeroen Bosch, bekend om zijn weergaven van de hel.