Les over 6.2 Zelfstandige burgers
Opkomst handel en ontstaan steden

Zelfstandige burgers en stadsrechten in de middeleeuwen
Leerdoelen
•Je kunt beschrijven hoe de Nederlanden in de middeleeuwen bestuurd werden.
•Je kunt uitleggen wat stadsrechten zijn en welke gevolgen deze hadden voor burgers en boeren.
•Je kunt uitleggen hoe burgers hun stad bestuurden en hoe de rechtspraak was geregeld.
•Je kunt beschrijven hoe de derde stand veranderde en hoe deze stand politieke invloed kreeg.
Belangrijke jaartallen
•1000-1500: De tijd van steden en staten (het vierde tijdvak).
•1122: Utrecht ontvangt stadsrechten als dank voor de steun van de burgers aan de Duitse vorst.
•1296: De machtige graaf Floris V van Holland wordt door ontevreden edelen gevangengenomen en gedood.
•1367: Johann Fugger begint als wever in Augsburg en legt de basis voor een van de rijkste families van Duitsland.
•1430: Janne Schuts uit Antwerpen ontvangt een erfenis en groeit uit tot een succesvolle zakenvrouw.
•15e eeuw: Steden in Holland krijgen voor het eerst burgemeesters voor het dagelijks bestuur.
Van leenman tot vorst
In de 9e eeuw viel het Frankische rijk uiteen, waarna het Duitse rijk ontstond. De Nederlanden (het huidige Nederland, België en Luxemburg) gingen grotendeels bij dit Duitse rijk horen. Om dit gebied te besturen, stelde de Duitse koning leenmannen aan. Zo kreeg een Friese edele West-Frisia in leen, wat zich later ontwikkelde tot het graafschap Holland. Brabant kwam in handen van een hertog, en een groot deel van Noordoost-Nederland werd bestuurd door de bisschop van Utrecht. In de eeuwen daarna trokken deze hertogen, graven en bisschoppen zich steeds minder aan van de Duitse koning. Als zelfstandige landsheren (bestuurders) namen zij zelf besluiten: zij spraken recht, hieven belastingen en tol, en riepen legers bijeen. Voor het bestuur van kleinere gebieden stelden zij achterleenmannen aan. Om hun macht te vergroten, voerden de landsheren regelmatig oorlog met elkaar. Graaf Floris V van Holland breidde in de 13e eeuw zijn gebied flink uit en liet de Ridderzaal in Den Haag bouwen om zijn rijkdom te tonen. Andere edelen waren ontevreden over zijn groeiende macht en brachten hem in 1296 om het leven.
Het ontstaan van stadsrechten
Landsheren hadden veel geld nodig voor hun oorlogen en het bestuur. Door de groei van handel en nijverheid verdienden ze goed aan belastingen en tol, maar dit was vaak niet genoeg. Daarom vroegen zij de inwoners van marktplaatsen regelmatig om extra geld. De inwoners wilden dit geld alleen geven in ruil voor privileges (bijzondere rechten). Grote marktplaatsen hadden namelijk andere regels nodig dan boerendorpen, bijvoorbeeld voor brandveiligheid, het schoonhouden van straten en een aangepaste rechtspraak voor kooplieden. Tegen betaling van dit extra geld verleenden de landsheren deze privileges. Wanneer een plaats deze stadsrechten kreeg, werd het officieel een stad. Steden kregen hiermee het recht om zichzelf te besturen en recht te spreken volgens eigen wetten. Later kwamen daar meer rechten bij, zoals het recht om zelf belasting te heffen en het recht om een stadsmuur te bouwen ter verdediging tegen struikrovers en edelen.

De opkomst van steden had ook grote gevolgen voor de boeren. Horigen die naar de stad verhuisden, werden na verloop van tijd bevrijd van hun plichten als horige. Dit leidde tot de uitspraak 'stadslucht maakt vrij'. Om te voorkomen dat alle boeren naar de stad trokken, moesten heren hun boeren op het platteland meer rechten en vrijheden geven. Hierdoor verdween de horigheid op veel plaatsen in Europa.
Bestuurders en burgers in de stad
Binnen de stadsmuren werd het bestuur en de rechtspraak geregeld door de schepenen. Zij maakten de wetten en zorgden voor rust en orde vanaf het raadhuis. De schout (of baljuw) was de vertegenwoordiger van de landsheer. Hij trad op als een soort politieagent die misdadigers opspoorde en de veiligheid bewaakte. Ook leidde hij de vergaderingen van de schepenen. Vanaf de 15e eeuw kregen steden in Holland burgemeesters voor het dagelijks bestuur. Zij werden geadviseerd en gecontroleerd door de vroedschap, een groep aanzienlijke en rijke burgers. Wie de wet overtrad, werd gestraft door de schepenen. Lichte misdrijven werden bestraft met een boete in geld, goederen of werk. Zware misdrijven leidden vaak tot verbanning uit de stad, en voor de allerzwaarste misdrijven werd de doodstraf voltrokken. Deze straffen vonden in het openbaar plaats ter afschrikking van de bevolking. Niet iedereen in de stad had dezelfde rechten. Slechts een deel van de bewoners bezat het burgerschap. Deze burgers vormden samen de burgerij en hadden privileges die gewone inwoners niet hadden. Zij mochten bijvoorbeeld lid worden van een gilde (een beroepsvereniging van ambachtslieden met hetzelfde beroep), een pand bezitten of een bestuursfunctie bekleden. Vrouwen konden wel burger zijn, maar mochten niet deelnemen aan het bestuur. Immigranten konden het burgerschap kopen of verkrijgen door te trouwen met een burger.
De derde stand krijgt politieke macht
In de vroege middeleeuwen bestond de derde stand vrijwel volledig uit boeren. Door de opkomst van steden veranderde deze stand en werd deze veel diverser met handelaren, ambachtslieden, knechten en dienstmeisjes. Binnen de steden was er sociale mobiliteit: men kon arm beginnen en rijk eindigen, zoals de wever Johann Fugger die uitgroeide tot een van de rijkste handelaren van Duitsland. Hoewel de rijke families de belangrijkste bestuursfuncties bezetten, kregen gewone burgers via verkiezingen en opstanden ook invloed op de politiek. Omdat landsheren financieel afhankelijk waren van de steden voor leningen en belastingen, moesten zij steeds meer rekening houden met de wensen van de steden. Landsheren gingen vertegenwoordigers van steden uitnodigen voor overleg over politieke en financiële zaken. Door deze inspraak en de stadsrechten kregen steden naast economische macht ook grote politieke macht en zelfstandigheid.