Les over 6.1 Woonplaats en werkplaats
Opkomst handel en ontstaan steden

Hoe ontstonden steden en de geldeconomie in Europa?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen hoe Europa weer een landbouwstedelijke samenleving werd.
•Je kunt beschrijven hoe de geldeconomie in Europa zich ontwikkelde.
•Je kunt uitleggen hoe de nijverheid in steden was georganiseerd door gilden.
•Je kunt beschrijven hoe de internationale handel groeide door samenwerkingen zoals de Hanze.
Belangrijke jaartallen
•Rond 1000: Begin van de grootschalige ontginning van landbouwgrond in Europa.
•1000 – 1300: De hoge middeleeuwen, waarin de Europese bevolking verdubbelde.
•1300 – 1500: De late middeleeuwen.
•1347 – 1352: De uitbraak van de pest, die aan een derde van de Europeanen het leven kostte.
Platteland en stad
Rond het jaar 1000 was een groot deel van West-Nederland nog een moerassig veengebied. Graaf Dirk III van Holland besloot dit gebied rond zijn hof in Vlaardingen geschikt te maken voor landbouw door boeren sloten te laten graven. Hierdoor liep het water weg en droogde de grond op. Deze uitbreiding van landbouwgrond, ook wel ontginning genoemd, gebeurde in heel West-Europa door moerassen droog te leggen en bossen te kappen. Daarnaast verbeterden boeren hun landbouwtechnieken. Ze introduceerden het drieslagstelsel om de oogst te maximaliseren en gebruikten een betere ploeg om de grond grondiger te bewerken. Door deze verbeteringen bracht de landbouw veel meer op. Dit leidde tot een landbouwoverschot: voedsel dat de boeren niet zelf nodig hadden en konden verhandelen op lokale markten. Dankzij de toegenomen voedselproductie leefden mensen gezonder en langer, waardoor de Europese bevolking tussen 1000 en 1300 verdubbelde. Omdat er minder mensen op het land nodig waren, konden velen een ander beroep kiezen in de nijverheid. Deze nieuwe ambachtslieden, zoals slagers en pottenbakkers, vestigden zich samen met handelaren rondom de markten. Hierdoor groeiden marktplaatsen uit tot steden en ontstond er opnieuw een landbouwstedelijke samenleving. De verstedelijking verliep het snelst in Noord-Italië, Vlaanderen en Holland. Om nieuwe inwoners aan te trekken, gaven landheren soms privileges aan steden. Zo verleende de hertog van Brabant de bewoners van de nieuwe stad 's-Hertogenbosch tolvrijheid. Dit betekende dat zij geen tol (belasting voor het gebruik van wegen, rivieren en bruggen) hoefden te betalen. In de 14e eeuw nam de welvaart echter weer af door de uitbraak van de pest, een zeer besmettelijke ziekte die tussen 1347 en 1352 miljoenen slachtoffers maakte.
De opkomst van de geldeconomie
Door de bloeiende handel op de markten gingen mensen steeds vaker geld gebruiken. Omdat koningen, hertogen, graven en steden allemaal hun eigen munten sloegen, ontstond er een grote diversiteit aan munteenheden.

Om met al deze verschillende munten te kunnen handelen, vestigden zich in elke stad geldwisselaars. Zij bepaalden de waarde van vreemde munten en wisselden deze om. Sommige geldwisselaars gingen ook geld bewaren en uitlenen, waarmee de eerste banken ontstonden. Banken verdienden hieraan door het heffen van rente, een vergoeding voor het geleende geld. Hoewel de kerk het heffen van rente verbood, trokken Italiaanse bankiers zich hier weinig van aan. Omdat reizen met grote hoeveelheden munten onveilig was vanwege struikrovers, bedachten zij de wisselbrief. Dit was een schriftelijke betalingsopdracht waarmee een handelaar in een andere stad geld kon opnemen bij een vertegenwoordiger van de bank, waardoor reizen met contant geld overbodig werd.
Samenwerking in de nijverheid via gilden
In de steden mochten ambachtslieden niet zomaar zelfstandig produceren en verkopen. Zij moesten verplicht lid zijn van een gilde, een beroepsvereniging van mensen met hetzelfde ambacht. Elk gilde bepaalde de werktijden, stelde de prijzen vast en controleerde de kwaliteit van de producten. Daarnaast regelde het gilde de beroepsopleiding. Een jongere begon als leerling bij een meester, werd na verloop van tijd een loonwerkende gezel, en kon pas na het succesvol afronden van een meesterproef zelfstandig als meester een bedrijf starten. Hoewel de meeste meesters mannen waren, oefenden ook vrouwen zelfstandig ambachten uit of werkten zij mee in het bedrijf van hun man. Weduwen mochten na het overlijden van hun man vaak het bedrijf voortzetten. Gilden hadden ook een sociale functie: ze zorgden samen voor zieke en bejaarde leden en organiseerden begrafenissen en feesten.
Handel over lange afstand
Naast de lokale markten groeide ook de internationale handel. Om deze handel te bevorderen en te beschermen, werkten kooplieden en steden in Noord-Europa samen in de Hanze. Dit was een handelsverbond van zo'n tweehonderd steden, waaronder Nederlandse steden als Groningen, Deventer en Tiel. Hanzesteden betaalden elkaar geen tol en beschermden elkaars schepen gezamenlijk tegen piraten. Zij verhandelden producten zoals bont, vis, graan, textiel en zout. Tussen Noord- en Zuid-Europa vormden Brugge en later Antwerpen het centrale handelsknooppunt. Italiaanse handelaren brachten luxegoederen zoals wijn, zuidvruchten, parfum, zijde en specerijen mee uit het Midden-Oosten en Constantinopel. In ruil daarvoor namen zij Noord-Europese producten mee terug, zoals hout uit Oslo, graan uit Riga en laken uit 's-Hertogenbosch. Dit laken was een zeer sterke, kostbare wollen stof waarvan duurzame kleding werd gemaakt die generaties lang meeging.