Les over 5.4 Europa wordt christelijk

Les over 5.4 Europa wordt christelijk

Gemaakt door Ainstein
5.4 Europa wordt christelijk
Deze video bestaat uit
  • Het christendom in de middeleeuwenHet christendom in de middeleeuwen
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 04:57
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe werd Europa christelijk in de vroege middeleeuwen?

Leerdoelen

Je kunt beschrijven hoe de kerk het christendom in Europa verspreidde.

Je kunt uitleggen waarom Germanen zich verzetten tegen de verspreiding van het christendom.

Je kunt uitleggen dat de overgang van oud naar nieuw geloof langzaam verliep.

Je kunt beschrijven hoe de christelijke kerk was georganiseerd en welk werk geestelijken deden.

Belangrijke jaartallen

Kort na 496: De Frankische koning Clovis laat zich dopen, waarna het Frankische rijk christelijk wordt.

Rond 500: Missionarissen bekeren de Franken.

Kort voor 690: De Frankische vorst Pepijn verovert Midden-Nederland op de Friezen.

690: Willibrord en Engelse geestelijken starten hun missie in Nederland.

754: Bonifatius wordt samen met 52 medereizigers vermoord bij Dokkum.

814: Bij de dood van Karel de Grote zijn de Friezen en Saksen definitief bekeerd.

Rond 1000: Bijna heel Europa is bekeerd tot het christendom.

De verspreiding van het christendom

Vanaf de 5e eeuw trokken geestelijken door Europa om het christendom te verspreiden onder de Kelten en Germanen. Dit gebeurde door missionarissen: geestelijken die in opdracht (een missie) van de paus op pad gingen om mensen te bekeren. Een belangrijk voorbeeld is de Engelse geestelijke Willibrord, die in 690 naar Nederland trok, zich in Utrecht vestigde en daar een kerk bouwde met stenen uit Romeinse ruïnes. De Germanen in Nederland, zoals de Friezen en de Saksen, hadden een polytheïstische godsdienst. Zij geloofden in meerdere goden, zoals de dondergod Donar, en vereerden heilige plekken in de natuur. Christenen noemden deze niet-christenen heidenen. Om de heidenen makkelijker te bekeren, pasten missionarissen soms heidense gebruiken aan. Zo werd een heidens midwinterfeest omgevormd tot het christelijke kerstfeest. Wanneer heidenen zich bekeerden, lieten zij zich dopen. Dit ritueel, waarbij iemand met water werd besprenkeld of ondergedompeld, stond symbool voor het afwassen van zonden (overtredingen van de religieuze regels). Wie zich liet dopen, kreeg de belofte van een eeuwig leven in de hemel.

Drie kruisen bij zonsondergang die symbool staan voor het christelijke geloof dat zich over Europa verspreidde
Drie kruisen bij zonsondergang die symbool staan voor het christelijke geloof dat zich over Europa verspreidde

Verzet en gedwongen bekering

De overgang naar het nieuwe geloof verliep moeizaam en langzaam. De Germanen verzetten zich fel tegen de vernietiging van hun cultuur en geloof. Ze staken soms kerken in brand of doodden geestelijken. Dit verzet had ook een politieke reden: de Friezen waren kort voor 690 verslagen door de Frankische vorst Pepijn. Omdat Pepijn het missiewerk van Willibrord steunde en soldaten meestuurde, zagen de Friezen de missionarissen als handlangers van hun vijand. Dat dit werk gevaarlijk was, bleek in 754 toen de missionaris Bonifatius bij Dokkum door Friezen werd vermoord. Vanwege dit verzet probeerden missionarissen altijd eerst de vorsten te bekeren. Een belangrijk moment was de bekering van de Frankische koning Clovis kort na 496. Zijn christelijke vrouw Clothilde probeerde hem al langer te bekeren, maar de ommekeer kwam pas toen Clovis tijdens een veldtocht God om hulp vroeg en won. Clovis en duizenden soldaten lieten zich dopen, waardoor het hele Frankische rijk christelijk werd. Vorsten legden het geloof vervolgens op aan hun onderdanen. Karel de Grote onderwierp de Friezen en Saksen met harde hand. In zijn wetten stelde hij de doodstraf op het weigeren van de doop of het verbranden van een kerk. De geestelijke Alcuinus adviseerde Karel de Grote om te matigen: hij stelde dat geloof moet voortkomen uit vrijwillige overgave en onderwijs, omdat men iemand wel kan dwingen te dopen, maar niet te geloven.

Een langzame overgang en cultuurmenging

Hoewel vorsten het christendom oplegden, verdween het oude Germaanse geloof niet van de ene op de andere dag. Lange tijd bleven oude en nieuwe gebruiken naast elkaar bestaan. Zo gebruikten smeden gietvormen waarmee ze zowel Germaanse Donarhamers als christelijke kruisen konden maken. Ook bleven mensen geloven in waarzeggerij en magische spreuken. Onze weekdagen herinneren nog altijd aan de Germaanse goden: woensdag is vernoemd naar Wodan en vrijdag naar Freya. Daarnaast verschilden de ideeën over goed en kwaad. Voor Germanen was dapperheid in de strijd belangrijk, terwijl bij christenen naastenliefde vooropstond. Om de bevolking te overtuigen van de christelijke moraal, vertelden geestelijken legendes. Dit zijn wonderlijke verhalen over heiligen: gelovigen die na hun dood werden vereerd vanwege hun sterke geloof en goede daden. Hun levens dienden als voorbeeld voor de gewone bevolking.

De organisatie van de kerk

De middeleeuwse kerk had een strakke hiërarchische opbouw in de vorm van een piramide. In de middeleeuwse standensamenleving stonden de geestelijken dan ook bovenaan, gevolgd door de adel en de boeren. De kerkelijke hiërarchie was als volgt georganiseerd:

De paus: de hoogste geestelijke en het hoofd van de katholieke kerk.

De aartsbisschoppen: de belangrijkste bisschoppen die leiding gaven aan een kerkprovincie.

De bisschoppen: zij gaven leiding aan de kerken in grote gebieden.

De pastoors (of priesters): de lagere geestelijken die de gelovigen in dorpen en parochies leidden. Zij hielden wekelijks een preek (een godsdienstige toespraak) waarin zij de regels van het geloof uitlegden.

Alle geestelijken moesten gehoorzamen aan de paus en zich houden aan de strenge kerkelijke regels.

Het leven in het klooster

Een bijzondere groep geestelijken bestond uit monniken (mannen) en nonnen (vrouwen). Zij leefden afgescheiden van de samenleving in een klooster, ook wel een abdij genoemd. Mannen en vrouwen woonden in gescheiden kloosters omdat zij de gelofte van kuisheid aflegden. Een klooster voor mannen stond onder leiding van een abt, terwijl een vrouwenklooster werd geleid door een abdis. Veel kloosterlingen leefden volgens de regels van Benedictus. Zij mochten niet trouwen, geen seks hebben, geen persoonlijk bezit hebben en moesten strikte gehoorzaamheid tonen aan hun kloosterhoofd. Hun dagelijks leven bestond uit bidden en werken (ora et labora). Zij werkten op het land, verzorgden zieken en deden huishoudelijk werk. Een cruciale taak was het kopiëren van christelijke en klassieke teksten. Dit tijdrovende schrijfwerk wordt ook wel 'monnikenwerk' genoemd. Hierdoor zijn veel geschriften van klassieke schrijvers bewaard gebleven. Kloosters vervulden een centrale rol in de middeleeuwse maatschappij:

Onderwijs: Het klooster was de enige plek waar onderwijs werd gegeven in lezen, schrijven en rekenen.

Politieke invloed: Omdat bijna alleen geestelijken konden lezen en schrijven, werkten zij vaak als adviseurs of wetmakers voor vorsten.

Steun van de adel: Vorsten en edelen schonken veel geld en grond aan kloosters. Zo stichtte graaf Dirk I van Holland in de 10e eeuw de abdij van Egmond. Ook adellijke vrouwen, zoals abdis Irmina van Trier, steunden missionarissen door grond te schenken voor de abdij van Echternach.