Les over 4.4 De opkomst van het christendom
Ontstaan van het christendom

Hoe ontstond en verspreidde het christendom zich?
Leerdoelen
•Je kunt beschrijven waardoor de Joden verspreid raakten over het Romeinse Rijk.
•Je kunt beschrijven hoe het christendom ontstond uit het jodendom.
•Je kunt uitleggen hoe het christendom werd verspreid en door de Romeinen werd bestreden.
•Je kunt beschrijven hoe het christendom de Romeinse staatsgodsdienst werd.
Belangrijke jaartallen
•63 v.C.: De Romeinen veroveren Judea, het land van de Joden.
•Rond 30 n.C.: Jezus trekt rond in Judea om zijn boodschap te verspreiden.
•66 n.C.: Een grote Joodse opstand breekt uit na een tempelroof door de Romeinen.
•70 n.C.: De Romeinen verwoesten de Joodse tempel in Jeruzalem na een maandenlange belegering.
•132 n.C.: Een nieuwe Joodse opstand wordt hard neergeslagen, wat leidt tot de diaspora.
•313 n.C.: Keizer Constantijn geeft de christenen godsdienstvrijheid.
•392 n.C.: Keizer Theodosius maakt het christendom de officiële staatsgodsdienst.
Joden in het Romeinse Rijk
In de eerste eeuw v.C. onderwierpen de Romeinen Judea, het land van de Joden. De Romeinse godsdienst was gebaseerd op polytheïsme, het geloof in meerdere goden. De Joden daarentegen hingen het monotheïsme aan, wat betekent dat zij in slechts één God geloofden. De Romeinen toonden aanvankelijk begrip voor dit geloof en stonden toe dat de Joden niet meededen aan de verering van de Romeinse staatsgoden, zolang hun eigen gezag en de tempel in Jeruzalem werden gerespecteerd. In 66 n.C. ging het echter mis toen de Romeinse bestuurder van Judea geld roofde uit de Joodse tempel. Dit leidde tot een grote Joodse opstand. Keizer Nero stuurde vier legioenen om de opstand neer te slaan. Na een belegering van zeven maanden werd Jeruzalem in 70 n.C. ingenomen en de tempel volledig verwoest.

In 132 n.C. kwamen de Joden opnieuw in opstand. De Romeinen traden wederom hard op: ze hernoemden Judea naar Palestina en verboden Joden nog langer in Jeruzalem te komen. Dit leidde tot de diaspora, de verspreiding van de Joden over het Romeinse Rijk. Om hun geloof te kunnen blijven uitoefenen, bouwden de Joden in de diaspora synagogen, speciale gebedshuizen waar zij samenkwamen.
Het ontstaan van het christendom
Binnen het Joodse geloof leefde al eeuwen de overtuiging dat God een verlosser, de messias, zou sturen om hen te bevrijden van vreemde overheersers. Rond het jaar 30 n.C. trok Jezus rond in Judea. Zijn volgelingen zagen hem als deze verlosser en gaven hem de naam 'Christus', wat Grieks is voor messias. Jezus verkondigde een nieuwe boodschap: er is maar één God, alle mensen zijn gelijk voor God (arm of rijk), en men moet zorgen voor de zieken en zwakken en zelfs vijanden liefhebben. Jezus werd door zijn vijanden overgeleverd aan de Romeinen en stierf aan het kruis. Zijn volgelingen schreven de verhalen over zijn leven en zijn leerstellingen tientallen jaren later op in de Bijbel, het Heilige Schrift van de christenen. Hieruit ontstond een nieuwe monotheïstische godsdienst: het christendom.
Een verboden geloof en Romeinse vervolging
De christenen probeerden actief anderen te bekeren. Dankzij de goede Romeinse wegen en de rustige periode van de pax Romana verspreidde het geloof zich snel door het rijk, met name onder armen en ambachtslieden die werden aangetrokken door de boodschap van gelijkheid. De Romeinse elite zag het christendom echter als een grote bedreiging. Omdat christenen weigerden offers te brengen aan de Romeinse goden en de keizer, waren de Romeinen bang dat de goden het rijk zouden straffen met rampen. Bovendien vreesden de machthebbers dat de boodschap van gelijkwaardigheid de sociale orde zou verstoren. Het christendom werd daarom verboden en christenen werden zwaar vervolgd. Velen kregen de doodstraf en werden in amfiteaters voor de wilde dieren gegooid. Christenen die stierven voor hun geloof werden gezien als martelaren. Hun standvastigheid en de verhalen over hun moed, zoals die van de rijke Perpetua en de slavin Felicitas, zorgden ervoor dat het geloof juist aan populariteit won. Mensen geloofden dat zij na de dood in de hemel beloond zouden worden met eeuwig geluk.
Van verboden geloof naar staatsgodsdienst
De groei van het christendom bleek niet te stoppen. In 313 n.C. besloot keizer Constantijn de christenen godsdienstvrijheid te geven, zodat zij hun geloof openlijk mochten uitoefenen. In 392 n.C. ging keizer Theodosius nog een stap verder: hij maakte het christendom de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Vanaf dat moment werden andere godsdiensten verboden en werden Romeinse tempels verwoest of omgebouwd tot kerken. Joden mochten hun geloof behouden, maar werden vanaf toen gediscrimineerd en mochten bijvoorbeeld niet meer met christenen trouwen. Er ontstond een strakke kerkelijke organisatie: het rijk werd opgedeeld in kerkprovincies met bisschoppen aan het hoofd. De bisschop van Rome werd de hoogste leider van de kerk en kreeg de titel paus. Hij liet een grote kerk bouwen in Rome, in het gebied dat we tegenwoordig kennen als Vaticaanstad.
Het christendom buiten het Romeinse Rijk
Het christendom verspreidde zich ook buiten de grenzen van het Romeinse Rijk. Via handelsroutes over de Rode Zee bereikte het geloof het koninkrijk Aksum (in het huidige Ethiopië, Eritrea en Jemen). In de vroege 4e eeuw n.C. bekeerde koning Ezana zich tot het christendom. Hij maakte het direct tot staatsgodsdienst, waardoor Aksum zelfs nog eerder officieel christelijk was dan het Romeinse Rijk. Om het nieuwe geloof onder zijn onderdanen te verspreiden, liet Ezana de afbeeldingen van de zon en de maan op munten vervangen door een christelijk kruis.