Les over 4 De Romeinen
De Romeinen
Ontstaan van het christendom

De Romeinen: van republiek tot de val van het wereldrijk
Leerdoelen
•Je kunt beschrijven hoe Rome veranderde van een kleine stadstaat in een republiek en uiteindelijk in een wereldrijk.
•Je kunt de werking en de sociale verschillen binnen de Romeinse landbouwstedelijke samenleving uitleggen.
•Je kunt verklaren hoe de Grieks-Romeinse cultuur ontstond, zich verspreidde en hoe de Romeinse rechtspraak werkte.
•Je kunt de opkomst van het monotheïstische jodendom en christendom beschrijven en uitleggen hoe het christendom de staatsgodsdienst werd.
•Je kunt verklaren hoe de Rijn de limes werd, hoe de relatie met de Germanen was en waardoor het West-Romeinse Rijk in 476 n.C. ten onder ging.
Belangrijke jaartallen
•Rond 1000 v.C.: Ontstaan van de stadstaat Rome door het samengroeien van verschillende dorpjes in Italië.
•509 v.C.: Rome verandert van een koninkrijk in een republiek.
•146 v.C.: De definitieve verwoesting van aartsrivaal Carthago door de Romeinen.
•73 v.C.: De grootschalige slavenopstand onder leiding van de gladiator Spartacus.
•44 v.C.: De brute moord op dictator Julius Caesar door bezorgde senatoren.
•27 v.C.: Octavianus krijgt de erenaam Augustus; dit markeert het begin van het Romeinse Keizerrijk.
•9 n.C.: De Romeinse nederlaag in het Teutoburgerwoud; de Rijn wordt de definitieve rijksgrens.
•70 n.C.: De verwoesting van de Joodse tempel in Jeruzalem door het Romeinse leger.
•79 n.C.: De verwoestende uitbarsting van de vulkaan Vesuvius die de stad Pompeï onder as bedekt.
•313 n.C.: Keizer Constantijn verleent de christenen officiële godsdienstvrijheid.
•392 n.C.: Het christendom wordt uitgeroepen tot de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk.
•395 n.C.: De definitieve splitsing van het rijk in het West-Romeinse Rijk en het Oost-Romeinse Rijk.
•476 n.C.: De afzetting van de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustus; dit betekent het einde van het West-Romeinse Rijk.
Van stad tot wereldrijk
De geschiedenis van Rome begon niet direct als een groot rijk. Hoewel de beroemde mythe vertelt dat de door een wolf opgevoede tweeling Romulus en Remus de stad in 753 v.C. stichtte, ligt de werkelijkheid anders. Rond 1000 v.C. groeiden verschillende kleine dorpjes op de heuvels langs de rivier de Tiber langzaam aan elkaar vast tot één stadstaat. Aanvankelijk werd Rome geregeerd door koningen, maar rond 509 v.C. joegen de Romeinen hun laatste koning weg. Rome werd een republiek: een staat zonder koning of keizer, waarin het bestuur in handen kwam van functionarissen die voor een beperkte tijd werden benoemd. De machtigste bestuurders werden gecontroleerd door de senaat, een invloedrijke vergadering van mannen uit de meest aanzienlijke families van Rome.
De Romeinse veroveringen
Vanaf de 4e eeuw v.C. begon Rome haar grondgebied agressief uit te breiden. Rond 270 v.C. was bijna heel het Italiaanse schiereiland onderworpen. Daarna botsten de Romeinen op Carthago, een machtige handelsstad in Noord-Afrika. Tijdens deze oorlogen ging de republiek bijna ten onder toen de Carthaagse veldheer Hannibal met gevechtsolifanten over de Alpen trok en de Romeinen verpletterend versloeg in de slag bij Cannae. Rome herstelde zich echter en nam wraak: in 146 v.C. werd Carthago volledig verwoest. Dit was het startschot voor een periode van ongekend Romeinse imperialisme. De Romeinen breidden hun macht uit over het hele Middellandse Zeegebied, waaronder Syrië, Egypte en Anatolië. De ambitieuze generaal Julius Caesar veroverde Gallië (het huidige Frankrijk, België en Zuid-Nederland). Later werden ook Britannia (Engeland) en Dacië (Roemenië) ingelijfd. Om de grenzen te beschermen, bouwden de Romeinen indrukwekkende verdedigingswerken, zoals de Muur van Hadrianus in Noord-Engeland.
Het Romeinse leger
Het succes van de Romeinse veroveringen lag in de ijzersterke organisatie van het leger. Het leger was opgedeeld in legioenen van elk ruim 5000 soldaten. Tot 100 v.C. bestond het leger uit boeren die tijdelijk vochten, maar daarna veranderde het leger in een professionele organisatie van beroepsmilitairen. Deze soldaten kregen een vast salaris, deelden in de oorlogsbuit en ontvingen bij hun pensioen een stuk grond. De soldaten bewaakten de grenzen vanuit grensforten en legden een enorm netwerk van verharde wegen aan, waardoor legereenheden zich razendsnel door het rijk konden verplaatsen. Mede dankzij dit sterke leger heerste er in de eerste twee eeuwen n.C. stabiliteit en vrede in het rijk: de pax Romana (de Romeinse vrede).
Van republiek naar keizerrijk
Omdat de beroepsmilitairen voor hun inkomen en pensioen volledig afhankelijk waren van hun generaals, werden zij trouwer aan hun legeraanvoerders dan aan de senaat in Rome. Dit leidde tot bloedige burgeroorlogen tussen rivaliserende generaals die vochten om de macht. Julius Caesar kwam als overwinnaar uit de strijd en liet zich uitroepen tot alleenheerser, oftewel dictator. In 44 v.C. werd hij door bezorgde senatoren met 23 dolksteken vermoord in een poging de republiek te redden. Er brak echter opnieuw een burgeroorlog uit. Deze werd gewonnen door Caesars aangenomen zoon Octavianus. In 27 v.C. trok hij alle macht naar zich toe en kreeg hij de erenaam Augustus (de verhevene). Hiermee eindigde de republiek en begon het Romeinse keizerrijk, waarin de keizer als alleenheerser regeerde en de senaat buitenspel werd gezet.

Het enorme rijk werd verdeeld in provincies die geleid werden door een Romeinse bestuurder. Deze provincies moesten belasting betalen aan de centrale overheid in Rome. Met dit geld werd de hoofdstad verfraaid met triomfbogen, tempels en het Forum Romanum, het centrale plein van de stad. Het keizerschap was echter niet zonder gevaar: slechte of zwakke keizers, zoals Caligula en Nero, werden vaak door hun eigen lijfwacht of soldaten vermoord of tot zelfmoord gedwongen wanneer zij hun steun verloren.
De Romeinse samenleving
Het Romeinse Rijk was een landbouwstedelijke samenleving. Hoewel er meer dan duizend bloeiende steden waren, woonde en werkte het overgrote deel van de naar schatting 50 miljoen inwoners op het platteland. De stad Rome was met 1 miljoen inwoners veruit de grootste metropool. Een unieke blik op dit dagelijkse leven is bewaard gebleven in Pompeï, een stad die in 79 n.C. volledig werd bedolven onder de as van de vulkaan Vesuvius. Dankzij de pax Romana bloeiden de landbouw, nijverheid en handel op. Er werd gehandeld met gebieden tot diep in Azië via de zijderoute, een netwerk van handelsroutes over land en zee. Luxegoederen zoals zijde, peper, parfum en ivoor kwamen uit China en India, terwijl basisbehoeften zoals graan uit Egypte en olijfolie uit Spanje overzee werden aangevoerd. Deze handel werd sterk vergemakkelijkt door de uitstekende wegen en de invoering van universele Romeinse munten, zoals de zilveren denarius, de bronzen sestertius en de gouden aureus.
Rijkdom, armoede en sociale klassen
De sociale verschillen in de Romeinse steden waren gigantisch. De samenleving was scherp opgedeeld in verschillende klassen:
Sociale klasse | Woonomstandigheden | Werk & Inkomen | Slavenbezit |
|---|---|---|---|
Elite (Patriciërs) | Luxe, ruime stadshuizen met een open binnenruimte (atrium) of grote villa's op het platteland. | Grootgrondbezitters, hoge bestuursfuncties in de senaat of het leger. Hoeven niet zelf te werken. | Ja, zeer veel slaven die als bedienden, huishouders of arbeiders werkten. |
Middenklasse (Winkeliers & Ambachtslieden) | Hoge bakstenen huizen, vaak op de eerste verdieping boven hun eigen winkel of werkplaats. | Bakkers, slagers, kleermakers en handelaren. Hebben een redelijk, zelfstandig inkomen. | Soms een klein aantal slaven om te helpen in het huishouden of het bedrijf. |
Proletariaat (Armen) | Kleine, benauwde kamertjes in gehorige bakstenen huurkazernes van vier of vijf verdiepingen. Geen stromend water of riolering. | Sjouwers, kruiers, bouwvakkers of werkloos. Geen vast bezit; kinderarbeid is bittere noodzaak. | Nee, absoluut geen bezit. |
Op het platteland woonden de boeren, die de grootste bevolkingsgroep vormden. Hun bestaan was hard en onzeker. Naast kleine, zelfstandige boeren waren er enorme landbouwbedrijven (latifundia) die olijven, wijn en graan produceerden voor de handel. Deze grote bedrijven maakten op grote schaal gebruik van goedkope slaven of pachtboeren, die een stuk land huurden in ruil voor een deel van de oogst.
Zorg voor de armen: brood en spelen
Om te voorkomen dat het enorme, ontevreden proletariaat in de steden in opstand zou komen, organiseerden de keizer en rijke patriciërs gratis voedseluitdelingen en grootschalig vermaak. Dit beleid staat bekend als brood en spelen. Er werden gigantische renbanen gebouwd voor paardenrennen en enorme amfitheaters voor bloederige spektakels. Het bekendste stadion was het Colosseum in Rome. Hier vonden gevechten plaats met wilde dieren en werden er soms complete zeeslagen nagespeeld. Het populairst waren de gevechten tussen gladiatoren: speciaal getrainde zwaardvechters (meestal slaven of krijgsgevangenen) die op leven en dood tegen elkaar vochten in het amfitheater. Succesvolle gladiatoren konden enorm populair worden, vergelijkbaar met de topsporters van nu.
Slavernij in het rijk
Slavernij was een fundament van de Romeinse economie en werd als volkomen normaal beschouwd. De meeste slaven waren krijgsgevangenen die uit alle hoeken van het rijk kwamen. Hun levensomstandigheden verschilden sterk. Slaven in de mijnen of op de grote landbouwbedrijven leidden een kort, gruwelijk leven en werden behandeld als vee. Een huisslaaf in de stad had het vaak beter; zij werkten als kok, kapper of schoonmaker. Hoogopgeleide Griekse slaven werkten zelfs als leraar, boekhouder of arts. Sommige slaven slaagden erin genoeg geld te verdienen om zichzelf vrij te kopen, of werden na jaren trouwe dienst vrijgelaten door hun meester. Vrijgelaten slaven werden aangeduid met de letter van libertus op grafmonumenten. Toch leidde de onderdrukking soms tot grote woede. In 73 v.C. ontsnapte de slaaf Spartacus uit een gladiatorenschool. Hij bracht een enorm rebellenleger op de been dat twee jaar lang plunderend door Italië trok. De opstand werd uiteindelijk bloedig neergeslagen: 6000 overlevers werden als afschrikwekkend voorbeeld gekruisigd langs de Via Appia.
De cultuur van het rijk
Het Romeinse Rijk was een echte multiculturele samenleving waarin mensen van allerlei afkomst samenleefden. In de hoofdstad Rome woonden Afrikanen, Galliërs, Grieken, Joden en Germanen door elkaar. Zelfs de keizers kwamen niet altijd uit Italië: keizer Trajanus werd geboren in Spanje en keizer Septimius Severus kwam uit Noord-Afrika. Door deze intense contacten was er sprake van grote culturele en religieuze diversiteit.
De Romeinse godsdienst
De oorspronkelijke Romeinse religie was polytheïstisch: men geloofde in honderden verschillende goden. De officiële staatsgodsdienst was verplicht voor iedereen die voor de overheid werkte. Belangrijke staatsgoden waren oppergod Jupiter, huwelijksgodin Juno, oorlogsgod Mars, liefdesgodin Venus en Minerva, de godin van de wijsheid. Ook overleden keizers werden als goden vereerd. De Romeinen toonden echter een grote godsdienstige tolerantie. Zolang overwonnen volkeren de Romeinse staatsgoden en de keizer eerden, mochten zij daarnaast hun eigen goden blijven aanbidden. Zo werden in de keizertijd de Egyptische troostgodin Isis en de Perzische verlossingsgod Mithras ongekend populair in het hele rijk.
De Grieks-Romeinse cultuur en romanisering
De Romeinen waren diep onder de indruk van de hoogontwikkelde Griekse cultuur. Ze haalden Griekse kunstenaars, filosofen en architecten naar Rome en kopieerden op grote schaal Griekse standbeelden en bouwstijlen. Door deze versmelting ontstond de Grieks-Romeinse cultuur. De Romeinen voegden hier eigen technische vernieuwingen aan toe, zoals het gebruik van beton, bogen, koepels en aquaducten. Een prachtig voorbeeld hiervan is het Pantheon in Rome, een tempel met een gigantische betonnen koepel en Griekse zuilen aan de voorzijde. Deze mengcultuur verspreidde zich door het hele rijk, een proces dat we romanisering noemen. Overal in Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten stichtten de Romeinen nieuwe steden volgens een strak schaakbordpatroon, compleet met een forum, theaters, amfitheaters en openbare badhuizen (thermen). In het westen van het rijk nam de lokale elite de Latijnse taal over, waaruit later de Romaanse talen (zoals Frans en Spaans) ontstonden. In het oostelijke deel van het rijk bleef Grieks de belangrijkste voertaal.
Het Romeinse recht
Een van de belangrijkste erfenissen van de Romeinen is hun geavanceerde rechtssysteem. Aanvankelijk gold het Romeinse burgerrecht (met bijbehorende privileges en bescherming) alleen voor vrije mannen uit Rome, maar in de loop der eeuwen kregen steeds meer vrije inwoners van het rijk dit recht. Vrouwen hadden een beperkt burgerrecht: zij mochten wel scheiden en bezit beheren, maar geen politieke functies uitoefenen. Slaven hadden wettelijk helemaal geen rechten. Het Romeinse recht (alle wetten en de uitleg daarvan) werd nauwkeurig opgeschreven, zodat rechters in het hele rijk volgens dezelfde regels rechtspraken. Dit systeem bood burgers belangrijke bescherming:
•Burgers mochten niet zonder proces of bewijs worden veroordeeld.
•Een verdachte had recht op een advocaat en mocht tijdens het proces niet worden gemarteld.
•Rechtszaken waren openbaar, zodat iedereen kon controleren of het proces eerlijk verliep.
Veel van deze principes vormen nog altijd de basis van onze moderne rechtspraak.
De opkomst van het christendom
In de 1e eeuw v.C. onderwierpen de Romeinen Judea, het land van de Joden. De Joden waren monotheïstisch: zij geloofden, in tegenstelling tot de Romeinen, in slechts één God. De Romeinen toonden respect voor dit geloof en gaven de Joden vrijstelling van de verplichting om aan de Romeinse staatsgoden te offeren. In 66 n.C. ging het echter mis toen een Romeinse bestuurder geld roofde uit de joodse tempel in Jeruzalem. Er brak een felle joodse opstand uit. De keizer stuurde vier legioenen om de opstand hardhandig neer te slaan. In 70 n.C. werd Jeruzalem na een maandenlange belegering ingenomen en werd de heilige joodse tempel volledig verwoest.

Na een tweede grote opstand in 132 n.C. traden de Romeinen nog harder op: Joden werden volledig verbannen uit Jeruzalem en de naam Judea werd veranderd in Palestina. Dit leidde tot de joodse diaspora (verspreiding) over het hele Romeinse Rijk. Om hun geloof te kunnen blijven uitoefenen, bouwden de Joden overal synagogen (gebedshuizen).
Het ontstaan van het christendom
Binnen deze joodse wereld trok rond het jaar 30 n.C. de religieuze leraar Jezus van Nazareth rond door Judea. Zijn volgelingen zagen hem als de beloofde messias (verlosser) en gaven hem de Griekse naam 'Christus'. Jezus predikte een boodschap van naastenliefde, zorg voor de zwakken en gelijkheid van alle mensen voor God. De Romeinse autoriteiten zagen hem als een gevaarlijke rustverstoorder en veroordeelden hem tot de dood aan het kruis. Na zijn dood verspreidden zijn volgelingen, de christenen, zijn leer. Zo ontstond uit het jodendom een nieuwe religie: het christendom. De verhalen over Jezus en de leefregels van het geloof werden decennia later opgeschreven in de Bijbel.
Vervolging en verbod
Het christendom groeide snel, mede dankzij de pax Romana en de goede wegen. Christenen probeerden actief anderen te bekeren. Dit actieve bekeringswerk en de weigering van christenen om aan de Romeinse staatsgoden en de keizer te offeren, wekten de woede van de Romeinse elite. De Romeinen vreesden dat de goden het rijk zouden straffen met rampen als de offers uitbleven. Bovendien vonden de machthebbers de christelijke boodschap dat iedereen gelijk is een bedreiging voor de sociale orde. Het christendom werd daarom verboden en christenen werden bloedig vervolgd. Velen kregen de doodstraf in de amfitheaters, waar ze voor de wilde dieren werden gegooid. Deze standvastige martelaren, zoals Perpetua en Felicitas in Carthago, maakten door hun moed diepe indruk op de bevolking. Hierdoor werd het christendom juist steeds populairder, vooral onder de armen, vrouwen en slaven.
Van verboden geloof naar staatsgodsdienst
In 313 n.C. bracht keizer Constantijn de Grote een radicale ommekeer teweeg. Hij verleende de christenen officiële godsdienstvrijheid, waardoor zij hun geloof openlijk mochten uitoefenen. Constantijn zag in dat de groei van het christendom niet meer te stoppen was en wilde de christenen te vriend houden. In 392 n.C. maakte keizer Theodosius het christendom zelfs tot de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Andere religies werden nu verboden en Romeinse tempels werden verwoest of omgebouwd tot christelijke kerken. Er ontstond een strakke kerkelijke organisatie: het rijk werd opgedeeld in kerkprovincies onder leiding van bisschoppen, met de bisschop van Rome, de paus, als de hoogste leider van de kerk.
Romeinen en Germanen
De Rijn vormde vanaf de 1e eeuw n.C. de noordelijke grens van het Romeinse Rijk. De Romeinen noemden de volkeren ten westen van de Rijn Galliërs of Kelten, en de volkeren ten oosten van de Rijn Germanen. Romeinse schrijvers, zoals Julius Caesar, beschreven de Germanen als woeste, ongeletterde barbaren die in eenvoudige boerendorpen leefden. Tegelijkertijd hadden de Romeinen diepe bewondering voor de moed en vechtlust van de Germaanse krijgers.
De Rijn als limes
Aanvankelijk wilde keizer Augustus het rijk uitbreiden tot aan de rivier de Elbe. Dit plan mislukte echter volkomen in het jaar 9 n.C., toen de Romeinse generaal Varus met drie complete legioenen in een hinderlaag werd gelokt in het Teutoburgerwoud. De Germaanse krijgers slachtten bijna het gehele Romeinse leger af. Augustus was zo geschokt dat hij besloot de expansie te staken. De Rijn werd de definitieve, zwaarbewaakte grens van het rijk: de limes.
Bewaking van de grens en opstanden
Om de limes efficiënt te bewaken, sloten de Romeinen een bondgenootschap met bevriende stammen. In het Nederlandse rivierengebied sloten zij een verdrag met de Bataven. De Bataven hoefden geen belasting te betalen, maar moesten in ruil daarvoor soldaten leveren en de limes tussen Utrecht en Nijmegen verdedigen. Toch ging deze samenwerking niet altijd soepel. In 61 n.C. kwam de Keltische koningin Boudica in Britannia in opstand tegen het brute Romeinse optreden. Zij brandde met haar leger Londen plat voordat zij definitief werd verslagen. In 69 n.C. kwamen ook de Bataven in opstand onder leiding van Julius Civilis, een Bataat die officier was geweest in het Romeinse leger. Na felle gevechten sloten de Bataven een nieuw verdrag en werden zij weer trouwe bondgenoten.
Romeinse invloed in Zuid-Nederland
De aanwezigheid van het Romeinse leger zorgde voor een snelle romanisering van Zuid-Nederland. Nabij de grensforten ontstonden steden, waarvan Noviomagus (Nijmegen) de grootste was. De lokale bevolking stapte over van ruilhandel op een geldeconomie en ging betalen met Romeinse munten. Er ontstond een unieke mengcultuur: zo bleven de bewoners hun inheemse zeegodin Nehalennia vereren, maar bouwden zij voor haar nu wel altaren en tempels naar Romeins voorbeeld.
De ondergang van het Romeinse Rijk
Vanaf de 3e eeuw n.C. raakte het Romeinse Rijk in een diepe crisis. Dodelijke epidemieën zorgden voor een enorme bevolkingsdaling, waardoor de productie en handel instortten. De overheid ontving hierdoor veel minder belastinggeld, waardoor zij het leger niet meer goed kon betalen. Tegelijkertijd braken er burgeroorlogen uit tussen generaals die de troon probeerden te grijpen. Om het rijk beter bestuurbaar te maken, riep keizer Constantijn in 330 n.C. Constantinopel uit tot nieuwe hoofdstad. In 395 n.C. werd het rijk definitief gesplitst in twee delen:
•Het West-Romeinse Rijk met Rome als hoofdstad.
•Het Oost-Romeinse Rijk met Constantinopel als hoofdstad.
Vanaf de 4e eeuw n.C. raakte het West-Romeinse Rijk in een stroomversnelling van verval door de volksverhuizingen. Germaanse krijgsheren en hun volgelingen drongen het verzwakte rijk binnen, plunderden steden en grepen de macht. Zij stichtten hun eigen onafhankelijke koninkrijken op Romeins grondgebied. In 476 n.C. hield het West-Romeinse Rijk definitief op te bestaan toen Germaanse soldaten de laatste West-Romeinse keizer, de 15-jarige Romulus Augustus, afzetten. Het Oost-Romeinse Rijk (het Byzantijnse Rijk) bleef nog bijna duizend jaar standhouden.