Les over 2.5 Israëlieten in Egypte
Ontstaan van het christendom

Wat vertelt het verhaal over Israëlieten in Egypte?
Leerdoelen
•Je kunt het verhaal van Mozes en de uittocht van de Israëlieten uit Egypte navertellen.
•Je kunt beschrijven wat er in de heilige boeken staat over de vroegste geschiedenis van het jodendom.
•Je kunt het verschil uitleggen tussen een feit, een mening en een overlevering.
•Je kunt de godsdienstige revolutie van farao Achnaton beschrijven en verklaren waarom zijn herinnering werd uitgewist.
Belangrijke jaartallen
•Rond 1350 v.C. - Amenhotep IV wordt farao van Egypte en begint zijn monotheïstische revolutie onder de naam Achnaton.
•Rond 1335 v.C. - Farao Achnaton overlijdt, waarna het polytheïsme in Egypte wordt hersteld.
•1323 v.C. - Farao Toetanchamon overlijdt.
•Rond 63 v.C. - De Romeinen veroveren Judea, het land waar de Joden woonden.
•70 n.C. - De Joodse opstand wordt door de Romeinen neergeslagen en de Joodse tempel in Jeruzalem wordt verwoest.
Het verhaal van Mozes en de Israëlieten
Onder de vele migranten die zich in het welvarende Egypte vestigden, bevonden zich de Israëlieten, een volk uit Kanaän in West-Azië. Na verloop van tijd vond de farao dat er te veel Israëlieten in Egypte woonden. Hij nam een drastisch besluit op basis van zijn mening: alle pasgeboren Israëlitische jongens moesten in de Nijl worden gegooid om hen te doden. De overige Israëlieten moesten zwaar dwangarbeid verrichten in de bouw en op het land. Een Israëlitische vrouw redde haar pasgeboren zoon door hem in een waterdichte mand tussen het riet van de Nijl te leggen. De dochter van de farao vond de baby en voedde hem op als haar eigen zoon. Zij noemde hem Mozes. Toen Mozes volwassen was, ontving hij een boodschap van God. Hij kreeg de opdracht om de Israëlieten uit Egypte te leiden en terug te keren naar Kanaän. Deze uittocht wordt ook wel de exodus genoemd. In Kanaän ontstond later het koninkrijk Israël, dat na honderd jaar uiteenviel in de koninkrijken Israël en Juda. Van de naam Juda is het woord Joden afgeleid.
De geschiedenis van het jodendom
De vroegste geschiedenis van het jodendom staat opgeschreven in de Tenach, het heilige boek van de joden. Deze geschiedenis begon lang voor de geboorte van Mozes bij Abraham, een nomade uit Mesopotamië. Abraham had een monotheïstisch geloof, wat betekent dat hij in slechts één god geloofde. Dit was in die tijd heel bijzonder, omdat de volkeren om hem heen een polytheïstisch geloof aanhingen en dus in meerdere goden geloofden. Volgens de verhalen sloot God in Kanaän een verbond met Abraham: God beloofde Kanaän aan Abraham en zijn nakomelingen, mits zij geen andere goden zouden aanbidden. Dit verbond markeert het begin van het jodendom. Later ontstonden hieruit ook het christendom (de godsdienst van de christenen) en de islam (de godsdienst van de moslims). Omdat deze drie religies allemaal in de God van Abraham geloven, delen zij veel verhalen. Zo staat het verhaal van Abraham ook in de christelijke Bijbel en in de Koran, het heilige boek van de moslims. Volgens de overlevering kreeg Abraham twee zonen:
•Ismaël (bij zijn slavin Hagar), die wordt gezien als de voorvader van de Arabieren, bij wie later de islam ontstond.
•Isaak (bij zijn vrouw Sara), uit wie het Joodse volk voortkwam.
Vanwege een hongersnood trokken de nakomelingen van Abraham van Kanaän naar Egypte, waar zij eeuwenlang woonden tot de uittocht onder leiding van Mozes. Na de uittocht volgde een zware tocht van veertig jaar door de woestijn. Tijdens deze reis ontving Mozes op een berg de tien geboden: tien leefregels van God over goed en fout gedrag, met als eerste regel dat men in slechts één God mag geloven.
De sedermaaltijd tijdens Pesach
Joden herdenken de uittocht uit Egypte nog jaarlijks tijdens het Pesachfeest. Tijdens de sedermaaltijd staat het eten symbool voor de geschiedenis:
•Matses (plat, ongerezen brood) verwijzen naar de haast waarmee de Israëlieten Egypte moesten verlaten, waardoor het deeg niet kon rijzen.
•Zout water verbeeldt de tranen die de Israëlieten in slavernij hebben vergoten.
•Bittere kruiden staan symbool voor de bitterheid van de slavernij.
•Een ei staat symbool voor nieuw leven.
•Een kom water met een gastendoekje staat voor het afwassen van zonden en schoon worden.
Historische betrouwbaarheid: feit of overlevering?
In de geschiedschrijving is het belangrijk om kritisch te kijken naar bronnen. We maken hierbij onderscheid tussen verschillende begrippen:
•Een feit is iets wat werkelijk zo is en waarvoor historisch of archeologisch bewijs bestaat.
•Een mening is wat iemand ergens van vindt of gelooft, zonder dat hier direct bewijs voor is.
•Een overlevering is een verhaal dat eeuwenlang mondeling is doorverteld voordat het werd opgeschreven. Hierdoor kunnen er in de loop van de tijd dingen zijn bijverzonnen.
Voor het verblijf van de Israëlieten in Egypte en de uittocht onder leiding van Mozes is geen hard archeologisch bewijs gevonden. Toch bevatten de verhalen waarschijnlijk een historische kern. Zo meldt de Tenach dat de Israëlieten moesten werken aan de voorraadsteden Pitom en Raämses. Uit Egyptische bronnen weten we dat farao Ramses II inderdaad de stad Pi-Ramesse liet bouwen. Dit is een feit, hoewel de Egyptische bronnen niet vermelden wie de bouwers van de stad waren.
De godsdienstige revolutie van Achnaton
Rond 1350 v.C. werd Amenhotep IV farao van Egypte. Hij ontketende een godsdienstige revolutie door te besluiten nog maar één god te aanbidden: Aton, de zonneschijf. Hij veranderde zijn naam in Achnaton ('hij die Aton dient') en sloot de tempels van de andere Egyptische goden. Aan deze revolutie kwam na zijn dood rond 1335 v.C. snel een einde. De Egyptenaren geloofden dat de goden zich door Achnatons acties van Egypte hadden afgekeerd en de staat in het ongeluk hadden gestort. Om de goden weer gunstig te stemmen, probeerden zij elke herinnering aan Achnaton uit te wissen door zijn naam en afbeeldingen op monumenten onleesbaar te maken. De priesters herstelden het polytheïsme onder de jonge farao Toetanchamon (die zijn naam veranderde van Toetanchaton naar Toetanchamon, 'levend evenbeeld van Amon').
De Romeinse tijd en de Joodse opstand
In de Tijd van de Grieken en Romeinen (3000 v.C. tot 500 n.C.) botsten de monotheïstische Joden vaak met de polytheïstische heersers. Rond 63 v.C. veroverden de Romeinen Judea, het land van de Joden. De weigering van de Joden om de Romeinse goden en de keizer te vereren leidde tot grote spanningen. In 70 n.C. sloegen de Romeinen een grote Joodse opstand bloedig neer. Hierbij werd de Joodse tempel in Jeruzalem volledig verwoest.

Na deze nederlaag begon de verspreiding (diaspora) van het Joodse volk over het Romeinse Rijk en de rest van de wereld. In deze turbulente periode ontstond in Judea ook het christendom, gesticht door Jezus Christus rond 30 n.C., dat zich ondanks aanvankelijke Romeinse vervolgingen uiteindelijk verspreidde en in 392 n.C. de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk werd.