Les over 2 Het oude Egypte
Opkomst handel en ontstaan steden
Ontstaan van het christendom

Het oude Egypte: alles over farao's, de Nijl en kunst
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen hoe door de Nijl een succesvolle landbouw en een landbouwstedelijke samenleving in Egypte ontstonden.
•Je kunt beschrijven hoe ambachten, ruilhandel en markten leidden tot de opkomst van steden.
•Je kunt uitleggen hoe Egypte onder de farao werd verenigd tot één staat en hoe deze werd bestuurd.
•Je kunt het belang van de uitvinding van het schrift voor het bestuur en de geschiedschrijving beschrijven.
•Je kunt de belangrijkste kenmerken van de Egyptische godsdienst en de rituelen rondom de dood uitleggen.
•Je kunt beschrijven hoe de Egyptische kunst en wetenschap zich ontwikkelden om praktische problemen op te lossen.
•Je kunt de verschillende sociale lagen van de Egyptische piramidesamenleving benoemen en de positie van de vrouw daarin analyseren.
•Je kunt uitleggen hoe migranten en culturele uitwisseling de Egyptische cultuur beïnvloedden.
•Je kunt het historische verhaal van Mozes en de vroegste geschiedenis van het jodendom beschrijven.
•Je kunt het verschil tussen feiten en overlevering uitleggen aan de hand van de geschiedenis van de Israëlieten in Egypte.
Belangrijke jaartallen
•Ca. 5500 v.C.: Ontstaan van de landbouwsamenleving in het Nijldal door klimaatverandering.
•Ca. 3500 v.C.: Ontstaan van de eerste landbouwstedelijke samenleving in Egypte.
•Ca. 3100 v.C.: Koning Narmer verenigt Boven- en Beneden-Egypte tot één staat.
•Ca. 3000 v.C.: Ontwikkeling van het Egyptische hiërogliefenschrift.
•Ca. 2570 v.C.: Voltooiing van de grote Piramide van Cheops als grafmonument.
•Ca. 1350 v.C.: Farao Amenhotep IV (Achnaton) voert een monotheïstische godsdienstige revolutie door.
•Ca. 1323 v.C.: Overlijden van farao Toetanchamon.
•30 v.C.: Het Egyptische rijk komt ten einde en wordt onderdeel van het Romeinse Rijk.
Een samenleving met steden
De langste rivier ter wereld, de Nijl, speelde een cruciale rol in het ontstaan van de Egyptische beschaving. Zonder deze rivier zou Egypte een dorre woestijn zijn geweest. De Griekse schrijver Herodotus noemde het land dan ook terecht "een geschenk van de Nijl".
Landbouw aan de Nijl
De Nijl stroomt vanuit het zuiden door de Sahara naar de Middellandse Zee in het noorden. In het noorden waaiert de rivier uit in een vruchtbare driehoek, de Nijldelta, die de Egyptenaren Beneden-Egypte noemden. Het zuidelijke deel van het land heette Boven-Egypte. Door klimaatverandering in de prehistorie droogden de grasvlakten van Noord-Afrika uit tot woestijn, waardoor jager-verzamelaars naar het vruchtbare Nijldal trokken. Rond 5500 v.C. ontstond hier een landbouwsamenleving door de introductie van akkerbouw en veeteelt. De landbouw was succesvol omdat de Nijl elke zomer overstroomde door hevige regenval in Ethiopië. Wanneer het water zakte, bleef er een vruchtbare laag vruchtbare zwarte modder achter op de akkers. Hierop verbouwden boeren graan, uien, sla, bonen, druiven en kruiden. Om ook akkers te bewerken die verder van de rivier lagen, ontwikkelden de Egyptenaren een irrigatiesysteem van kanalen, vijvers en dammen. Met behulp van een sjadoef (een emmer aan een hefboom) schepten ze water op het land. Deze methode heet irrigatielandbouw.
Ambachten, ruilhandel en steden
Dankzij de vruchtbare grond en de irrigatie ontstond er een groot landbouwoverschot. Hierdoor hoefde niet iedereen meer als boer te werken. Mensen gingen zich specialiseren in ambachten: beroepen waarbij handmatig producten worden gemaakt. Denk aan timmerlieden, pottenbakkers en makers van papier uit papyrusstengels. Boeren en ambachtslieden verkochten hun producten op lokale markten. Omdat geld nog niet bestond, verliep de handel via ruilhandel. Kopers en verkopers onderhandelden direct over de waarde van hun goederen. Het transport ging per boot over de Nijl of met ezels over land. Er ontstond ook een groep professionele handelaren die goederen ruilden met verre gebieden, zoals goud en ebbenhout uit Nubië, olijfolie uit Kreta en hout uit Libanon. Door deze groeiende handel en de toenemende welstand ontstond er welvaart. Marktplaatsen groeiden uit tot steden. Rond 3500 v.C. leidde dit tot een landbouwstedelijke samenleving: een samenleving met steden waarin de meeste mensen op het platteland leven van de landbouw, terwijl een minderheid in de stad woont en leeft van ambachten en handel. Een voorbeeld van zo'n bloeiende stad was Thebe (Waset).

Kenmerk | Handel in het oude Egypte | Handel nu |
|---|---|---|
Locatie | Op markten langs de rivier de Nijl | Markten in steden en online webshops |
Betaling | Ruilhandel met goederen | Contant geld of digitale betalingen |
Vervoer | Ezels op het land, roei- of zeilboten op het water | Vrachtwagens, treinen, schepen en vliegtuigen |
Reikwijdte | Internationale handel met buurlanden | Wereldwijde handel (globalisering) |
Het land van de farao
Voor het onderhoud van de irrigatiesystemen en het bepalen van akkergrenzen na overstromingen was strakke organisatie nodig. Hierdoor stonden er leiders op.
Egypte verenigd onder één koning
De heersers over deze gebieden werden vorsten genoemd. Zij lieten zich betalen in landbouwproducten, wat de eerste vorm van belasting was. Hiermee betaalden zij hun ambtenaren (mensen in dienst van het bestuur). Uiteindelijk bleven er twee staten over: Boven-Egypte en Beneden-Egypte. Rond 3100 v.C. won koning Narmer van Boven-Egypte een oorlog tussen de twee rijken. Hij verenigde ze tot één staat, ofwel een koninkrijk, met Memphis als hoofdstad. De Egyptische koning werd farao genoemd. De Egyptenaren geloofden dat de farao een goddelijke status had: op aarde was hij de gedaante van de valkengod Horus en de zoon van de zonnegod Ra. De farao droeg symbolen van zijn macht, zoals de dubbele kroon (de witte kroon van Boven-Egypte in de rode kroon van Beneden-Egypte geschoven), een kromstaf, een dorsvlegel en een valse baard. Het was de taak van de farao om het rijk te beschermen, wetten te maken en toezicht te houden op de belastinginning en voedselopslag. Zijn onderdanen moesten hem blindelings gehoorzamen. Sommige koninginnen, zoals Nefertari, hadden grote invloed, en heel soms regeerde een vrouw als farao wanneer er geen mannelijke opvolger was.
Het schrift en contact met buurvolken
Rond 3000 v.C. ontwikkelden de Egyptenaren een eigen schrift: de hiërogliefen. Dit beeldschrift bestond uit kleine tekeningen die woorden of klanken voorstelden. Het hiërogliefenschrift werd vooral gebruikt voor heilige, godsdienstige teksten. Ambtenaren gebruikten een eenvoudiger schrift voor de administratie. De uitvinding van het schrift was essentieel voor het bestuur om wetten vast te leggen en belastingopbrengsten te noteren. Met de uitvinding van het schrift eindigde de prehistorie en begon de oudheid (de tijd van Grieken en Romeinen). De ontcijfering van het schrift werd mogelijk door de vondst van de Steen van Rosetta in 1799, waarop dezelfde tekst in drie schriften stond. De Egyptenaren vormden een volk met een gezamenlijke taal en cultuur. Ze onderhielden contacten met buurvolken zoals de Libiërs, Nubiërs en Aziaten. Dit contact was soms vriendschappelijk via handel en diplomatieke huwelijken, maar vaak ook vijandig. Farao's zoals Thoetmosis I en Thoetmosis III breidden het Egyptische rijk uit door veroveringen, waardoor overwonnen volken belasting moesten betalen. Egypte werd echter ook geconfronteerd met invallers, zoals de Hyksos rond 1650 v.C. Vanaf 1000 v.C. verzwakte het rijk door opeenvolgende invasies, tot het in 30 v.C. definitief werd ingelijfd door het Romeinse Rijk.
Een ontwikkelde cultuur
De Egyptische cultuur was op religieus, artistiek en wetenschappelijk vlak hoogontwikkeld. Een dergelijke ontwikkelde cultuur noemen we een beschaving.
Godsdienst en de zorg voor de doden
De Egyptische godsdienst was polytheïstisch, wat betekent dat zij in honderden verschillende goden en godinnen geloofden. Belangrijke goden waren de zonnegod Ra (later samengesmolten met Amon tot Amon-Ra) en Osiris, de god van het dodenrijk. Tempels werden gebouwd als aardse woningen voor de goden. Priesters en priesteressen verzorgden dagelijks de godenbeelden en brachten offers (geschenken zoals voedsel en drank) om de goden gunstig te stemmen en voorspoed te garanderen. De Egyptenaren geloofden in een leven na de dood in het dodenrijk. Om de ziel te laten voortleven, mocht het lichaam niet vergaan. Terwijl arme Egyptenaren simpelweg in het hete, uitdrogende woestijnzand werden begraven, lieten rijke Egyptenaren en farao's hun lichaam mummificeren via een vast proces:
1.De ingewanden werden uit het lichaam verwijderd en in speciale kruiken (canopen) gestopt. Alleen het hart bleef zitten, omdat dit werd gezien als de bron van emoties en wijsheid.
2.De hersenen werden via de neus met een speciaal instrument uit het hoofd geschraapt en weggegooid.
3.Het lichaam werd wekenlang gedroogd in een soort zout (natron).
4.Het gedroogde lichaam werd ingewreven met hars en geurende oliën.
5.Tot slot werd het lichaam strak in linnen doeken gewikkeld tot een mummie.
Farao's lieten gigantische grafmonumenten bouwen, zoals de piramides bij Memphis (waaronder de Piramide van Cheops uit ca. 2570 v.C.) en later rotsgraven in het Dal der Koningen nabij Thebe. In 1922 ontdekte Howard Carter het vrijwel ongeschonden graf van farao Toetanchamon, wat een schat aan informatie opleverde over de Egyptische grafcultuur.
Kunst en wetenschap
De Egyptische kunst volgde strikte, eeuwenoude tradities. Op grafmuren werden mensen afgebeeld zoals ze in het hiernamaals wilden leven: jong, fit en zonder gebreken. Figuren werden volgens een vaste traditie getekend: het oog en het bovenlichaam van voren, en het hoofd, de mond en het onderlichaam van de zijkant. Mannen kregen een roodbruine huidskleur en vrouwen een lichtgele. Naast schilderkunst maakten ze kolossale beelden, obelisken (spits toelopende stenen zuilen) en afbeeldingen in reliëf (beeldhouwwerk op een vlakke ondergrond) om veldslagen van farao's te herdenken. De wetenschap was vooral gericht op het oplossen van praktische problemen. Wiskunde en meetinstrumenten (zoals de ellemaat) werden gebruikt voor het bepalen van akkergrenzen en de bouw van piramides. Voor de landbouw ontwikkelden ze een kalender van 12 maanden van 30 dagen, plus een dertiende maand van 5 dagen (365 dagen in totaal). De seizoenen waren ingedeeld op basis van de Nijl: de overstroming, de groei en de droogte.
Kenmerk | Geloof van de Egyptenaren | Jodendom |
|---|---|---|
Soort geloof | Polytheïstisch (geloof in honderden goden) | Monotheïstisch (geloof in één God) |
Leven na de dood | De ziel leeft voort in het dodenrijk; het lichaam moet bewaard blijven (mummificatie) | Geloof in een hemel of hiernamaals via een moreel leven |
Belangrijke gebruiken | Offeren, verzorgen van godenbeelden in tempels | Vieren van feestdagen zoals Pesach, naleven van de Tien Geboden |
Heilige geschriften | Hiërogliefen op muren van tempels en grafmonumenten | De Tenach (met de Thora) en geschreven wetten |
Gelijkheid en ongelijkheid
De Egyptische samenleving was complex en kende grote sociale verschillen.
De sociale piramide
De samenleving was opgebouwd als een piramide met vier sociale lagen:
•Eerste laag: De farao en zijn koninklijke familie met de absolute macht.
•Tweede laag: Priesters en de adel (edelen). Edelen waren aanzienlijke personen met privileges die hoge functies in het bestuur bekleedden.
•Derde laag: Ambachtslieden, handelaren en lage ambtenaren (zoals schrijvers).
•Vierde laag: Boeren, landarbeiders en slaven/slaafgemaakten.
Binnen de vierde laag bestond slavernij: een systeem waarin mensen het bezit zijn van een ander en niet over hun eigen leven mogen beslissen. Veel slaven waren als krijgsgevangenen meegenomen uit oorlogen. Sociale verschillen waren overal zichtbaar. Rijken woonden in grote huizen met tientallen kamers, aten vlees, dronken wijn en werden na hun dood gemummificeerd. Armen woonden met hele gezinnen in één kamer, aten louter brood en bier, en werden in eenvoudige woestijngraven gelegd. Ook in de kunst gold dat personen met een hogere status groter werden afgebeeld dan mensen met minder aanzien.
Sociale mobiliteit en de positie van de vrouw
Kinderen namen meestal het beroep van hun ouders over. Toch was er sociale mobiliteit mogelijk. Een jongen kon door een strenge, twaalfjarige opleiding op een tempelschool schrijver worden en zo opklimmen in het bestuur. Schrijvers genoten veel aanzien omdat slechts weinigen konden lezen en schrijven. Vrouwen in Egypte hadden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Griekse vrouwen, veel rechten en waren voor de wet gelijk aan mannen. Ze mochten bezit hebben, erven, zakendoen en rechtszaken aanspannen. Hoewel ze zelden politieke topfuncties bekleedden, konden ze wel werken als priesteres, zangeres, danseres of professionele klaagvrouw bij begrafenissen. Egypte trok veel migranten aan uit West-Azië en Noord-Afrika. Nieuwkomers werden snel opgenomen in de bevolking als ze leefden en spraken als de Egyptenaren. Vreemde overheersers, zoals de Hyksos, namen vaak de Egyptische cultuur over, terwijl de Egyptenaren van hen weer nieuwe technieken leerden, zoals het maken van brons en het gebruik van door paarden getrokken strijdwagens.
Israëlieten in Egypte
Onder de migranten die naar het welvarende Egypte trokken, bevonden zich de Israëlieten, een volk uit Kanaän (West-Azië).
Het verhaal van Mozes en het jodendom
Volgens de religieuze verhalen vond een Egyptische farao dat er te veel Israëlieten in zijn land woonden. Hij dwong hen tot zwaar werk en beval alle pasgeboren Israëlitische jongens in de Nijl te verdrinken. De baby Mozes werd door zijn moeder in een waterdichte mand in het riet van de Nijl gelegd. Hij werd gevonden en opgevoed door de dochter van de farao. Als volwassene kreeg Mozes van God de opdracht om de Israëlieten uit Egypte te leiden (de uittocht of exodus) terug naar Kanaän. Tijdens deze tocht ontving Mozes de tien geboden: morele leefregels waaronder het verbod om andere goden te vereren. In tegenstelling tot de polytheïstische Egyptenaren hadden de Israëlieten een monotheïstisch geloof: het geloof in slechts één God. Dit geloof, het jodendom, begon bij aartsvader Abraham. Volgens de overlevering sloot God een verbond met Abraham: zijn nakomelingen zouden het land Kanaän (het Beloofde Land) ontvangen als zij trouw bleven aan God. Uit Abraham kwamen via zijn zonen Ismaël en Isaak respectievelijk de Arabieren (en de latere islam) en de Joden voort. De heilige boeken van deze monotheïstische godsdiensten – de Tenach van de joden, de Bijbel van de christenen en de Koran van de moslims – delen deze vroege geschiedenis. Joden herdenken de uittocht uit Egypte nog jaarlijks tijdens het Pesachfeest, waarbij ze onder andere matses (ongerezen platbrood) eten.
Feit of overlevering
Voor historici is het belangrijk om onderscheid te maken tussen een feit (iets wat werkelijk zo is en waarvoor historisch bewijs bestaat) en een overlevering (een mondeling doorverteld verhaal dat pas veel later is opgeschreven). Voor het verblijf van Mozes en de massale uittocht uit Egypte is geen direct archeologisch of schriftelijk bewijs gevonden in Egyptische bronnen. Wel is het een feit dat farao Ramses II de stad Pi-Ramesse liet bouwen, wat overeenkomt met de 'voorraadstad Raämses' uit de religieuze teksten.
De monotheïstische revolutie van Achnaton
Hoewel het jodendom het bekendste vroege monotheïsme is, kende Egypte zelf ook een korte monotheïstische periode. Rond 1350 v.C. voerde farao Amenhotep IV een godsdienstige revolutie door. Hij verbood de verering van alle traditionele goden en stond nog maar één god toe: Aton, de zonneschijf. Hij veranderde zijn naam in Achnaton ("hij die Aton dient") en stichtte een nieuwe hoofdstad. Na zijn dood in 1335 v.C. werd deze revolutie direct teruggedraaid uit angst voor de woede van de oude goden. Zijn opvolger herstelde het polytheïsme en veranderde zijn naam van Toetanchaton naar Toetanchamon. Alle herinneringen aan Achnaton werden systematisch uitgewist.
