Les over B Hoe werkt geschiedenis?

Les over B Hoe werkt geschiedenis?

Gemaakt door Ainstein
B Hoe werkt geschiedenis?
Deze video bestaat uit
  • Historische vaardighedenHistorische vaardigheden
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 14:49
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe werkt geschiedenis? Historisch denken en redeneren

Leerdoelen

Je kunt uitleggen hoe verschillende jaartellingen en periodiseringen tot stand komen en waarom deze interpretatief van aard zijn.

Je kunt de tien tijdvakken en vijf perioden gebruiken als referentiekader om historische gebeurtenissen chronologisch te ordenen.

Je kunt het verschil tussen continuïteit en verandering in historische processen herkennen en uitleggen.

Je kunt materiële en immateriële sporen van het verleden in je eigen omgeving herkennen en benoemen.

Je kunt het verschil uitleggen tussen unieke en generieke betekenissen van historische concepten.

Je kunt historische gebeurtenissen analyseren met behulp van multicausaliteit, directe en indirecte oorzaken, en de aanleiding.

Je kunt verschillende soorten historische gevolgen onderscheiden, waaronder bedoelde en onbedoelde gevolgen op korte en lange termijn.

Je kunt anachronismen en presentisme herkennen en vermijden bij het vellen van een moreel oordeel over het verleden.

Je kunt de betrouwbaarheid en representativiteit van historische bronnen beoordelen aan de hand van de maker, tijd, informatie en bedoeling.

Je kunt uitleggen dat geschiedverhalen altijd een constructie of reconstructie van het verleden zijn.

Je kunt specifieke geschiedenisboekentaal, zoals vaktermen, abstracte zelfstandige naamwoorden en verbindende werkwoorden, analyseren en toepassen.

Belangrijke jaartallen

ca. 3000 v.C.: Uitvinding van het schrift (begin van de Oudheid).

ca. 800 v.C.: Begin van de klassieke beschavingen van de Grieken en Romeinen.

ca. 500 n.C.: Einde van het West-Romeinse Rijk (begin van de Middeleeuwen).

622: De hidjra (tocht van Mohammed van Mekka naar Medina), het beginpunt van de islamitische jaartelling.

ca. 1000: Overgang van de vroege Middeleeuwen naar de hoge Middeleeuwen (begin Tijdvak 4).

ca. 1500: Begin van de Vroegmoderne Tijd.

1566: De Beeldenstorm in de Nederlanden en de indiening van het Smeekschrift der Edelen.

1575: Stichting van de Universiteit Leiden (de oudste universiteit van Nederland).

1576: Het sluiten van de Pacificatie van Gent.

1578: Spaanse landvoogd Don Juan verslaat het leger van de opstandige gewesten bij Gembloers; calvinisten verdrijven het rooms-katholieke bestuur van Oudenaarde.

ca. 1600: Begin van de Gouden Eeuw (Tijdvak 6).

ca. 1700: Begin van de Verlichting (Tijdvak 7).

1780: Uitbraak van de Vierde Engelse Zeeoorlog.

1781: Verschijnen van het anonieme pamflet Aan het Volk van Nederland.

1786: Utrecht krijgt als eerste grote stad een nieuw patriottisch bestuur.

ca. 1800: Begin van de Moderne Tijd (gemarkeerd door de democratische en industriële revoluties).

1917: De Russische Revolutie (tsaren vervangen door communistische leiders).

1918: Einde van de Eerste Wereldoorlog.

1933: De Rijksdagbrand in Duitsland.

1945: Ondergang van nazi-Duitsland en einde van de Tweede Wereldoorlog.

1948: De blokkade van West-Berlijn (Koude Oorlog).

ca. 1950: Begin van Tijdvak 10 (Televisie en computer).

1963: Bezoek van de Amerikaanse president John F. Kennedy aan West-Berlijn.

1989: De val van de Berlijnse Muur.

1991: Val van het communisme in de Sovjet-Unie.

Chronologie

Bij geschiedenis worden gebeurtenissen precies in de tijd geplaatst. Om jaren van elkaar te onderscheiden en te ordenen, gebruiken we jaartellingen. Elke cultuur kiest een eigen betekenisvol beginpunt in de tijd om te starten met tellen. De Romeinen kozen bijvoorbeeld het jaar van de stichting van de stad Rome als hun eerste jaar.

Verschillende kalendersystemen

De westerse cultuur maakt gebruik van de christelijke jaartelling. Het startpunt hiervan is het jaar waarin men denkt dat Jezus Christus is geboren. Dit jaar wordt aangeduid als het eerste jaar van Onze Heer, in het Latijn Anno Domini (AD). Jaren na deze gebeurtenis worden aangeduid met 'na Christus' (n.C.) en de jaren daarvoor met 'voor Christus' (v.C.). Omdat deze jaartelling niet neutraal of objectief is, gebruiken sommige Engelstalige boeken de termen Common Era (CE) en Before the Common Era (BCE) om een gemeenschappelijke, minder religieus beladen term te hanteren. Een ander belangrijk voorbeeld is de islamitische jaartelling. Deze begint bij de hidjra: de tocht van de profeet Mohammed van Mekka naar Medina in het christelijke jaar 622. Je kunt een islamitisch jaartal echter niet simpelweg berekenen door 622 van het christelijke jaartal af te trekken. De islamitische kalender is namelijk gebaseerd op het maanjaar en telt slechts 354 of 355 dagen per jaar. Hierdoor verschuiven de maanden door de seizoenen en vallen de jaren niet gelijk. Zo valt het christelijke jaar 2020 ongeveer samen met het islamitische jaar 1441. Dit toont aan dat chronologische indelingen altijd interpretatief van aard zijn en afhangen van cultuur en traditie.

Perioden en tijdvakken

Om de geschiedenis overzichtelijk te maken, is deze opgedeeld in perioden en tijdvakken. De oudste indeling verdeelt de geschiedenis in drieën: de Oudheid (de tijd van de Grieken en Romeinen), de Middeleeuwen (de 'tussentijd' waarin de klassieke beschaving minder centraal stond) en de Nieuwe Tijd (vanaf de Renaissance, toen men de klassieke cultuur weer als voorbeeld nam). Later zijn hier perioden aan toegevoegd. Door archeologische opgravingen werd de periode vóór de geschreven geschiedenis bekend: de Prehistorie. Daarnaast zorgden de democratische en industriële revoluties rond 1800 voor zulke grote veranderingen dat de Nieuwe Tijd werd opgesplitst in de Vroegmoderne Tijd en de Moderne Tijd. In het Nederlandse geschiedenisonderwijs leer je werken met vijf perioden en tien tijdvakken. De samenhang tussen deze indelingen is in de onderstaande tabel weergegeven:

5 Perioden
10 Tijdvakken
Tijdsindicatie
Prehistorie
1. Jagers en boeren
tot ca. 800 v.C.
Oudheid
2. Grieken en Romeinen
ca. 800 v.C. - ca. 500 n.C.
Middeleeuwen (Vroege Middeleeuwen)
3. Monniken en ridders
ca. 500 - ca. 1000
Middeleeuwen (Hoge en Late Middeleeuwen)
4. Steden en staten
ca. 1000 - ca. 1500
Vroegmoderne Tijd (16e eeuw)
5. Ontdekkers en hervormers
ca. 1500 - ca. 1600
Vroegmoderne Tijd (17e eeuw)
6. Regenten en vorsten
ca. 1600 - ca. 1700
Vroegmoderne Tijd (18e eeuw)
7. Pruiken en revoluties
ca. 1700 - ca. 1800
Moderne Tijd (19e eeuw)
8. Burgers en stoommachines
ca. 1800 - ca. 1900
Moderne Tijd (Eerste helft 20e eeuw)
9. Wereldoorlogen en crisis
ca. 1900 - ca. 1950
Moderne Tijd (Tweede helft 20e eeuw en 21e eeuw)
10. Televisie en computer
ca. 1950 - nu

Stappenplan voor chronologische examenvragen

Op het eindexamen wordt chronologie vrijwel altijd getoetst met een volgordevraag. Om een lijst met historische gebeurtenissen in de juiste chronologische volgorde te zetten, kun je de volgende stappen gebruiken:

1.Negeer de specifieke context of het overkoepelende thema van de vraag (zoals babynamen of de geschiedenis van Berlijn). Dit leidt alleen maar af van de historische kern.

2.Kijk bij elke gebeurtenis welke algemene historische verschijnselen of begrippen erin verborgen zitten (bijvoorbeeld gastarbeiders, de Franse Revolutie of de Duitse bezetting).

3.Koppel deze algemene verschijnselen aan het juiste tijdvak of kenmerkende aspect dat je uit je hoofd hebt geleerd.

4.Zet de tijdvakken in de juiste volgorde. Moet je gebeurtenissen binnen hetzelfde tijdvak ordenen? Gebruik dan logisch redeneren (bijvoorbeeld: totalitaire systemen ontstonden vóór de Tweede Wereldoorlog omdat ze er mede de oorzaak van waren) of probeer je de exacte jaartallen te herinneren.

Continuïteit en verandering

In geschiedenisboeken ligt de nadruk vaak op grote veranderingen zoals revoluties en oorlogen. Toch bleef het meeste in het verleden heel lang hetzelfde. Dit noemen we continuïteit. Het is onmogelijk dat alles in de samenleving van de ene op de andere dag volledig verandert.

Continuïteit in de praktijk

Een goed voorbeeld van continuïteit is de Russische geschiedenis. In de twintigste eeuw vonden er twee enorme revoluties plaats: de Russische Revolutie in 1917 (waarbij de tsaren werden vervangen door communisten) en de val van het communisme in 1991 (waarbij een president aan de macht kwam). Hoewel de regeringsvormen veranderden, bleef de politieke cultuur gekenmerkt door een leider met dictatoriale macht en een diep wantrouwen tegenover het Westen. Er is hier dus sprake van een sterke politieke continuïteit.

Oorzaken van verandering

Toch treden er ook wezenlijke veranderingen op. Verandering in de geschiedenis wordt meestal aangedreven door drie hoofdoorzaken:

Oorlogen en revoluties: Deze kunnen de fysieke en politieke structuur van een land in korte tijd ingrijpend veranderen (zoals de wederopbouw van Nederland na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog).

Uitvindingen: Technologische ontwikkelingen veranderen de manier waarop mensen leven en werken (zoals de uitvinding van de trein, auto en het vliegtuig, die de traditionele scheepvaart aanvulden of vervingen).

Generaties: Nieuwe generaties zetten zich soms af tegen de normen en waarden van hun ouders (zoals de jongerencultuur in de jaren zestig van de twintigste eeuw).

Sporen van het verleden

Elke historische periode draagt sporen van eerdere tijden in zich. We maken hierbij onderscheid tussen twee soorten overblijfselen:

Materiële sporen: Zichtbare, fysieke overblijfselen uit het verleden, zoals historische gebouwen en monumenten. Een voorbeeld is het Binnenhof in Den Haag, waarvan de oudste delen uit de dertiende eeuw stammen. Het is een van de oudste regeringscentra ter wereld dat nog steeds in gebruik is.

Immateriële sporen: Onzichtbare gewoonten, overtuigingen en ideeën die van generatie op generatie worden doorgegeven. Dit doorgeven noemen we traditie. Godsdiensten zijn hier een duidelijk voorbeeld van. Ook het concept van de universiteit is een middeleeuwse uitvinding: het Latijnse woord universitas betekent gemeenschap of omvattend geheel. Dit succesvolle middeleeuwse idee bestaat nog steeds.

Taal en historische concepten

Taal is een van de belangrijkste dragers van continuïteit, maar woorden veranderen door de tijd heen van betekenis. Historici maken daarom onderscheid tussen twee soorten betekenissen van begrippen:

Een unieke betekenis: Een begrip dat slechts aan één specifieke tijd of plaats gekoppeld is, zoals het begrip gladiator dat uniek is voor de Romeinse Oudheid.

Een generieke betekenis: Een begrip dat in verschillende tijden en op verschillende plaatsen voorkomt met een vergelijkbare algemene betekenis, zoals democratie, feodaal, imperialisme, centralisatie of burgeroorlog.

Het is belangrijk om te beseffen dat een generiek begrip in de ene tijd iets heel anders kon betekenen dan in de andere. De democratie in het oude Athene (waar alleen vrije, volwassen mannen mochten stemmen) verschilt wezenlijk van onze moderne parlementaire democratie. Of je een historische ontwikkeling beschouwt als continuïteit of als verandering, is vaak een kwestie van interpretatie. Het hangt er maar net vanaf waar de historicus de nadruk op legt.

Verklaringen, toeval en onvoorspelbaarheid

Historici willen niet alleen weten wat er is gebeurd, maar vooral ook waardoor het is gebeurd. Ze gaan op zoek naar de oorzaken van historische gebeurtenissen.

Kenmerken van historische oorzaken

Voor historische oorzaken gelden twee ijzeren wetten:

Oorzaken zijn altijd een kwestie van wijsheid achteraf. In tegenstelling tot de natuurwetenschappen kent de geschiedenis geen wetmatigheden. Je kunt niet voorspellen dat honger altijd tot een opstand leidt. Historische processen hebben een niet-lineair karakter: er loopt geen rechte, voorspelbare lijn van oorzaak naar gevolg.

Er is nooit één enkele oorzaak die een gebeurtenis volledig kan verklaren. Historische gebeurtenissen zijn het gevolg van een samenspel van verschillende factoren. Dit noemen we multicausaliteit.

Directe en indirecte oorzaken

We delen historische oorzaken in op basis van hun afstand tot de gebeurtenis:

Een indirecte oorzaak: Achtergrondfactoren die al langer spelen en de situatie voorbereiden (zoals de economische crisis in de jaren dertig die indirect leidde tot de opkomst van Hitler).

Een directe oorzaak of aanleiding: De directe vonk die de gebeurtenis onmiddellijk in gang zet, ook wel de spreekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen genoemd. Bij de Beeldenstorm van 1566 was het calvinisme de indirecte oorzaak die al langer op de achtergrond speelde, terwijl de ophitsende preek van Sebastiaan Matte op 10 augustus 1566 de directe aanleiding was.

Soorten oorzaken en gevolgen

Oorzaken en gevolgen kunnen we categoriseren op verschillende maatschappelijke terreinen:

Politiek-bestuurlijk: Alles wat te maken heeft met macht, wetgeving en het bestuur van een land of stad (bijvoorbeeld het beleid van koning Filips II).

Sociaaleconomisch: Alles wat te maken heeft met het levensonderhoud van mensen, maatschappelijke klassen, armoede en rijkdom (bijvoorbeeld de hoge graanprijzen en honger onder het volk in 1566).

Cultureel-mentaal (waaronder godsdienstig): Alles wat te maken heeft met ideeën, geloof, kunst en de manier van denken van mensen (bijvoorbeeld de calvinistische opvatting dat men geen beelden mag vereren).

Bij de gevolgen van een gebeurtenis maken we onderscheid tussen een direct optredend gevolg (korte termijn) en een gevolg op de langere termijn (lange termijn). Om het belang van een gevolg te wegen, kijken we naar de schaal (hoeveel mensen merkten er wat van?), de intensiteit (hoe diepgaand was de verandering?) en de duur (hield de verandering lang aan?).

Onbedoelde gevolgen

In de geschiedenis spelen onbedoelde gevolgen en toeval een enorme rol. Omdat er altijd verschillende groepen mensen actief zijn met tegenstrijdige belangen, pakt de werkelijkheid vaak anders uit dan men vooraf had gepland. Toen de Nederlandse edelen in 1566 een smeekschrift indienden, wilden zij matiging van de kettervervolging. Dit leidde onbedoeld tot de Beeldenstorm en uiteindelijk tot de scheuring van de Nederlanden. Dit resultaat was door geen van de betrokken partijen (noch Filips II, noch Willem van Oranje) zo bedoeld. Ook onvoorziene omstandigheden, zoals de strenge Russische winter die de invasie van Napoleon in een ramp deed eindigen, tonen de onvoorspelbaarheid van de geschiedenis aan. De ordening van deze causale verbanden (causaliteit) is daarom altijd een interpretatie van de historicus.

Waarden en oordelen

Als we naar het verleden kijken, komen we onvermijdelijk in aanraking met normen en waarden die sterk verschillen van de onze.

Standplaatsgebondenheid

Ieder mens bekijkt de wereld vanuit zijn eigen achtergrond. Dit noemen we standplaatsgebondenheid. Je standplaatsgebondenheid wordt bepaald door verschillende factoren, zoals je leeftijd, gender, geloof, sociaaleconomische status, politieke oriëntatie en de tijd waarin je leeft. Om menselijk gedrag in het verleden te kunnen verklaren, moet je proberen te denken vanuit de kennis en waarden die toen en daar geaccepteerd waren. Als we de Atheense democratie nu veroordelen omdat vrouwen en slaven niet mochten stemmen, vellen we een oordeel op basis van moderne waarden. De Atheners kenden onze moderne opvattingen over universele gelijkwaardigheid simpelweg nog niet. Zo'n oordeel helpt ons niet om de geschiedenis beter te begrijpen.

Anachronisme en presentisme

Bij het bestuderen van geschiedenis moet je twee grote valkuilen vermijden:

Een anachronisme (of anachronistisch oordelen): Het terugprojecteren van moderne concepten, voorwerpen of ideeën op een periode waarin deze nog helemaal niet bestonden. Een voorbeeld is het bestempelen van de Bataafse Opstand in 69 n.C. als een vorm van moderne 'burgerlijke ongehoorzaamheid' of Nederlands patriottisme. De Bataven waren geen moderne Nederlanders en handelden vanuit Germaanse krijgerswaarden, niet vanuit moderne politieke idealen.

Presentisme: Het beoordelen van historische personen en gebeurtenissen uitsluitend op basis van onze hedendaagse morele standaarden, zonder rekening te houden met de historische context.

Omdat waarden en normen door de tijd heen veranderen, verandert ook de manier waarop mensen over het verleden oordelen. Wat in de negentiende eeuw werd gezien als heldhaftig imperialisme, beoordelen we vandaag de dag heel anders.

Bron en vraagstelling

Historisch onderzoek begint altijd met overblijfselen uit het verleden. Een overblijfsel wordt pas een historische bron wanneer een historicus het gebruikt om een specifieke onderzoeksvraag te beantwoorden.

Hypothesen en bewijsvoering

Historici werken net als rechercheurs of rechters. Zij formuleren hypothesen (voorlopige veronderstellingen) en gaan in bronnen op zoek naar bewijsmateriaal om deze hypothesen te toetsen. We maken onderscheid tussen verschillende soorten bronnen:

Geschreven bronnen: Teksten waarin we de gedachten en administratie van mensen uit het verleden kunnen teruglezen.

Ongeschreven bronnen: Materiële voorwerpen, archeologische vondsten en afbeeldingen. Afbeeldingen vereisen veel interpretatie omdat de boodschap van de maker vaak verborgen zit in symbolen.

Binnen deze categorieën maken we ook een belangrijk onderscheid in de bedoeling van de maker:

Onbewuste bronnen: Documenten die in het dagelijks leven zijn ontstaan zonder dat de maker de bedoeling had om hiermee het nageslacht te informeren (zoals een notariële akte, een kasboek of een militair bevel). Deze bronnen zijn vaak zeer betrouwbaar omdat de maker geen reden had om de werkelijkheid voor de toekomst mooier voor te stellen.

Bewuste bronnen: Bronnen die met opzet zijn gemaakt om een herinnering voor de toekomst vast te leggen (zoals dagboeken, kronieken of memoires).

Betrouwbaarheid en representativiteit

Om te bepalen of de informatie uit een bron bruikbaar is voor je onderzoek, moet je de betrouwbaarheid toetsen aan de hand van vier vragen:

1.Wie is de maker van de bron en wat is zijn of haar achtergrond (standplaatsgebondenheid)?

2.In welke tijd is de bron ontstaan? Was de maker een ooggetuige of schreef hij veel later?

3.Over welke informatie kon de maker redelijkerwijs beschikken? Was hij in de positie om de waarheid te kennen?

4.Met welke bedoeling is de bron gemaakt? Was er sprake van een belang, zoals politieke propaganda, waardoor de schrijver de situatie gunstiger wilde voorstellen?

Daarnaast moet je de representativiteit van de bron beoordelen. Dit betekent dat je jezelf afvraagt of de situatie die in deze ene bron wordt beschreven, wel geldt voor een grotere groep mensen of voor meer situaties. Een beschrijving van één arm boerengezin is niet automatisch representatief voor de hele boerenbevolking in dat land.

Feiten versus meningen

Een historicus moet een feit (een uitspraak waarvan de waarheid vaststaat door betrouwbaar bewijsmateriaal) strikt scheiden van meningen (persoonlijke opvattingen), vooroordelen (meningen die niet op bewijs berusten) en stereotypen (simplistische veralgemeniseringen over een hele groep). Omdat we het verleden nooit direct kunnen observeren, is elk geschiedverhaal een constructie of reconstructie van het verleden op basis van bronnen. Het is een interpretatie van de werkelijkheid, gemaakt door een historicus, en niet het verleden zelf.

Interpretaties

Historische bronnen spreken nooit voor zichzelf; ze moeten altijd door een historicus worden uitgelegd. Elke geschiedschrijving is daarom een interpretatie.

Verschillende historische visies

Omdat historici verschillende vragen stellen en verschillende bronnen selecteren, kunnen er over dezelfde periode heel verschillende interpretaties ontstaan. Dit zien we bijvoorbeeld bij de discussie over de Nederlandse samenleving in de jaren vijftig van de twintigste eeuw:

Interpretatie 1 (nadruk op continuïteit): Deze visie stelt dat de jaren vijftig een saaie, burgerlijke en gezapige tijd waren waarin men vooral de vooroorlogse, traditionele samenleving probeerde te herstellen. Mensen gingen braaf naar de kerk en vrouwen bleven thuis.

Interpretatie 2 (nadruk op verandering): Deze visie stelt dat de jaren vijftig juist de dynamische kraamkamer waren van de roerige jaren zestig. Men wijst hierbij op de opkomst van de rock-'n-roll, de Cobra-kunststroming en de eerste tekenen van welvaartsgroei.

Beide interpretaties maken gebruik van historische feiten, maar door de nadruk anders te leggen, ontstaat er een totaal ander beeld van dezelfde periode. Dit toont aan dat elke ordening van tijd, causaliteit, continuïteit en verandering een interpretatie is die door de tijd heen kan veranderen.

De rol van taal in geschiedenis

Geschiedenis wordt overgedragen via taal. Om het vak goed te begrijpen, moet je de specifieke geschiedenisboekentaal beheersen.

Kenmerken van geschiedenisboekentaal

In geschiedenisteksten kom je verschillende soorten specifieke woorden tegen:

Vaktermen: Woorden met een specifieke historische betekenis die je in het dagelijks leven weinig hoort. Voorbeelden zijn hegemonie (de absolute overheersing van de ene staat over de andere) en patronagesysteem (het gunnen van baantjes aan vrienden of volgelingen in plaats van aan de meest geschikte persoon).

Abstracte zelfstandige naamwoorden: Woorden die complexe historische processen samenvatten, zoals 'economisch verval', 'binnenlandse tegenstellingen', 'acute crisis' of 'bestuurlijke invloed'.

Verbindende werkwoorden: Werkwoorden die een ontwikkeling of oorzakelijk verband aanduiden, zoals 'verzeilen' (ongewild ergens in terechtkomen), 'verscherpen' (het groter worden van tegenstellingen), of 'aan de schandpaal nagelen' (iemand publiekelijk de schuld geven).

Kleurrijke bijvoeglijke naamwoorden: Woorden die de ernst of omvang van een situatie aangeven, zoals 'desastreus' (rampzalig) of 'amechtig' (uitgeput en krachteloos).

Taal in eindexamenvragen

Ook de vragen op het eindexamen maken gebruik van een specifiek jargon waaraan je moet wennen:

Vragen met 'een bewering' of 'conclusie': Hierbij krijg je een stelling voorgelegd waarvan je niet zelf moet gaan bepalen of deze waar is, maar waarvan je met behulp van de bron en je historische kennis moet bewijzen dat deze waar is.

Vragen naar 'elementen uit een bron': Dit betekent simpelweg dat je naar een specifiek, concreet onderdeel van een tekst of afbeelding moet verwijzen.

Vragen met 'ontleen aan de bron': Dit betekent dat je een argument of bewijs letterlijk uit de brontekst moet citeren of parafraseren.

Vragen met 'zich herkennen in': Dit vraagt je om uit te leggen hoe de werkwijze of opvatting van een persoon uit de ene tijd aansluit bij de ideeën of waarden van een andere periode.