Het werkwoord ‘vouloir’
In deze samenvatting leer je over het Franse werkwoord vouloir, wat ‘willen’ betekent. We behandelen de vervoegingen in verschillende tijden: de présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple, en conditionnel. Deze kennis helpt je om het werkwoord correct te gebruiken in verschillende contexten.
Leerdoelen
•Ik ken de verschillende werkwoordstijden
•Ik weet hoe ik het werkwoord ‘vouloir’ moet vervoegen in de
•présent
•passé composé
•imparfait
•futur proche
•futur simple
•conditionnel
•Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes.
Présent (tegenwoordige tijd)
In de présent gebruik je vouloir om aan te geven wat je nu wilt. Hier is het rijtje:
Frans | Nederlands |
|---|---|
je veux | ik wil |
tu veux | jij wilt |
il/elle/on veut | hij/zij/men wil |
nous voulons | wij willen |
vous voulez | jullie willen/u wilt |
ils/elles veulent | zij willen |
💡Tip: Let op de uitgangen: je en tu zijn hetzelfde, nous en vous hebben een unieke u-klank, en il/elle eindigt vaak op ent.
Voorbeeldzinnen
•Je veux un café maintenant. (Ik wil nu een koffie.)
•On veut aller au cinéma ce soir. (Men wil vanavond naar de bioscoop.)
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd)
De passé composé gebruik je voor afgeronde gebeurtenissen in het verleden. Het bestaat uit twee delen: het hulpwerkwoord avoir en het voltooid deelwoord voulu.
Frans | Nederlands |
|---|---|
j'ai voulu | ik heb gewild |
tu as voulu | jij hebt gewild |
il/elle/on a voulu | hij/zij/men heeft gewild |
nous avons voulu | wij hebben gewild |
vous avez voulu | jullie hebben gewild/u heeft gewild |
ils/elles ont voulu | zij hebben gewild |
💡Tip: Gebruik altijd het rijtje van avoir als hulpwerkwoord.
Voorbeeldzinnen:
•Elle a voulu un café hier. (Zij heeft gisteren een koffie gewild.)
•Nous avons voulu aller au cinéma la semaine dernière. (Wij hebben vorige week naar de bioscoop willen gaan.)
Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
De imparfait gebruik je voor beschrijvingen of gewoontes in het verleden.
Frans | Nederlands |
|---|---|
je voulais | ik wilde |
tu voulais | jij wilde |
il/elle/on voulait | hij/zij/men wilde |
nous voulions | wij wilden |
vous vouliez | jullie wilden/u wilde |
ils/elles voulaient | zij wilden |
💡Tip: Gebruik de stam van de nous-vorm in de présent en voeg de imparfait-uitgangen toe.
Voorbeeldzin
•Voulions-nous toujours un biscuit avec le thé? (Wilden wij altijd een koekje bij de thee?)
Futur proche (nabije toekomst)
De futur proche gebruik je voor acties die binnenkort gaan plaatsvinden.
Frans | Nederlands |
|---|---|
je vais vouloir | ik ga willen |
tu vas vouloir | jij gaat willen |
il/elle/on va vouloir | hij/zij/men gaat willen |
nous allons vouloir | wij gaan willen |
vous allez vouloir | jullie gaan willen/u gaat willen |
ils/elles vont vouloir | zij gaan willen |
💡Tip: Gebruik het rijtje van aller en voeg het hele werkwoord vouloir toe.
Voorbeeldzin
•Il va vouloir un café tout à l'heure. (Hij gaat straks een koffie willen.)
Futur simple (toekomende tijd)
De futur simple gebruik je voor acties die verder in de toekomst liggen.
Frans | Nederlands |
|---|---|
je voudrai | ik zal willen |
tu voudras | jij zult willen |
il/elle/on voudra | hij/zij/men zal willen |
nous voudrons | wij zullen willen |
vous voudrez | jullie zullen willen/u zult willen |
ils/elles voudront | zij zullen willen |
💡Tip: Gebruik de stam voudr- en voeg de uitgangen van avoir toe.
Voorbeeldzin
•Elle voudra étudier à l'université dans cinq ans. (Zij zal over vijf jaar aan de universiteit willen studeren.)
Conditionnel (voorwaardelijke wijs)
De conditionnel gebruik je voor beleefde verzoeken of hypothetische situaties.
Frans | Nederlands |
|---|---|
je voudrais | ik zou willen |
tu voudrais | jij zou willen |
il/elle/on voudrait | hij/zij/men zou willen |
nous voudrions | wij zouden willen |
vous voudriez | jullie zouden willen/u zou willen |
ils/elles voudraient | zij zouden willen |

💡Tip: Gebruik de stam voudr- en voeg de imparfait-uitgangen toe.
Voorbeeldzinnen
•Nous voudrions étudier à l'étranger si nous de kans hadden. (Wij zouden in het buitenland willen studeren als we de kans hadden.)
•Ils voudraient visiter Paris un jour. (Zij zouden op een dag graag Parijs willen bezoeken.)












