Lees de onderstaande zinnen en geef met 'ja' of 'nee' aan of in de zin de passé simple is gebruikt.
Leerdoelen
•Ik weet dat ik de passé simple moet kunnen herkennen in leesteksten.
•Ik herken de uitgangen van de werkwoorden in de passé simple.
•Ik kan met behulp van een oefening raden om welk werkwoord het gaat in de passé simple.
Het is belangrijk dat je de passé simple kunt herkennen in voorgegeven leesteksten. Dit betekent dat je de uitgangen van werkwoorden in de passe simple kunt onderscheiden, en dat je met hulp van een oefening kunt raden om welk werkwoord het gaat. De passé simple, letterlijk de "simpele tijd", is in werkelijkheid niet zo eenvoudig. Het wordt vaak gebruikt in oude Franse teksten, literaire teksten en leesboeken. Simpel gezegd, is het de verleden tijd.
Regelmatige werkwoorden in de passé simple
Franse werkwoorden kunnen hoofdzakelijk in drie groepen worden ingedeeld: werkwoorden op -er, -ir en -re. Daarnaast zijn er enkele onregelmatige werkwoorden.
1.Werkwoorden op -er: Het merendeel van de Franse werkwoorden eindigt op -er, zoals 'habiter' (wonen). Als je wil achterhalen wat de betekenis is bij deze werkwoorden, kun je de uitgangen negeren. Als je je concentreert op het deel dat voor -er komt, kun je uit de context afleiden om welk werkwoord het gaat.
2.Werkwoorden op -ir: Ook bij deze werkwoorden kun je de uitgang negeren en de betekenis afleiden.
3.Werkwoorden op -re: Deze werkwoorden volgen hetzelfde patroon. Het negeren van de uitgangen maakt het gemakkelijker om de betekenis te raden.
Het is handig om de uitgangen wel te herkennen, zodat je in een tekst kan zien dat het gaat om de passé simple. Hieronder een overzicht van de uitgangen van de passé simple bij de regelmatige werkwoorden:

Belangrijke onregelmatige werkwoorden
Er zijn enkele onregelmatige werkwoorden die belangrijk zijn om te kennen. Onderstaand zijn de 'passe simple'-vormen van enkele veelgebruikte werkwoorden in de je-vorm (ik-vorm):
1.Être (zijn), heeft in de 'passe simple' de vorm: fus.
2.Avoir (hebben) wordt in de 'passe simple': eus.
3.Voir (zien) wordt in de 'passe simple': vis.
4.Pouvoir (kunnen) krijgt de vorm: pus.

De uitgangen zijn voor de rest gelijk aan die van de regelmatige werkwoorden.













