Wat betekent het Franse werkwoord 'prendre'?
Het werkwoord 'prendre'
In deze samenvattingen wordt het werkwoord prendre (nemen) in diverse werkwoordstijden behandeld. De volgende werkwoordstijden worden behandeld: présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple en de conditionnel.
Leerdoelen
•Ik ken de verschillende werkwoordstijden
•Ik weet hoe ik het werkwoord ‘prendre’ moet vervoegen in de
•présent
•passé composé
•imparfait
•futur proche
•futur simple
•conditionnel
•Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes.
Présent (tegenwoordige tijd)
Prendre betekent ‘nemen’. In de présent vervoegen we het als volgt:
Je prends | Ik neem |
Tu prends | Jij neemt |
Il/Elle/On prend | Hij/Zij/Men neemt |
Nous prenons | Wij nemen |
Vous prenez | Jullie nemen/ U neemt |
Ils/Elles prennent | Zij nemen |
💡Tips: Onthoud dat de stam vaak verandert bij de il/elle/on-vorm en dat het meervoud vaak op -ons, -ez en -ent eindigt. Dit is handig bij het onthouden van andere werkwoorden.
Voorbeeldzinnen:
•Je prends le bus tous les matins. (Ik neem elke ochtend de bus.)
•Ils prennent un café après le déjeuner. (Zij nemen een koffie na de lunch.)
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd)
De passé composé gebruik je voor korte, afgeronde gebeurtenissen in het verleden. Voor prendre heb je het hulpwerkwoord avoir nodig:
Je ai (J'ai) pris | Ik heb genomen |
Tu as pris | Jij hebt genomen |
Il/Elle/On a pris | Hij/Zij/Men heeft genomen |
Nous avons pris | Wij hebben genomen |
Vous avez pris | Jullie hebben/ U heeft genomen |
Ils/Elles ont pris | Zij hebben genomen |
💡Tip: Oefen het werkwoord avoir goed, omdat het essentieel is voor deze tijd.
Voorbeeldzinnen:
•Elle a pris son livre à la bibliothèque. (Zij heeft haar boek in de bibliotheek genomen.)
•Nous avons pris des photos pendant les vacances. (Wij hebben foto's genomen tijdens de vakantie.)
Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
De imparfait gebruik je voor vage, beschrijvende of herhaalde acties in het verleden:
Je prenais | Ik nam |
Tu prenais | Jij nam |
Il/Elle/On prenait | Hij/Zij/Men nam |
Nous prenions | Wij namen |
Vous preniez | Jullie namen/ U nam |
Ils/Elles prenaient | Zij namen |

💡Tip: De stam van de imparfait krijg je door de nous-vorm in de présent te nemen en -ons eraf te halen.
Voorbeeldzinnen:
•Quand j'étais petit, je prenais toujours un goûter après l'école. (Toen ik klein was, nam ik altijd een tussendoortje na school.)
•Vous preniez souvent le train pour aller à Paris. (Jullie namen vaak de trein om naar Parijs te gaan.)
Futur proche (nabije toekomst)
Deze tijd gebruik je voor acties die binnenkort plaatsvinden. Het wordt gevormd met het werkwoord aller:
Je vais prendre | Ik ga nemen |
Tu vas prendre | Jij gaat nemen |
Il/Elle/On va prendre | Hij/Zij/Men gaat nemen |
Nous allons prendre | Wij gaan nemen |
Vous allez prendre | Jullie gaan nemen/ U gaat nemen |
Ils/Elles vont prendre | Zij gaan nemen |
💡Tip: Het is bijna hetzelfde als in het Nederlands; onthoud het basisrijtje van aller.
Voorbeeldzinnen:
•Je vais prendre un sandwich pour le déjeuner. (Ik ga een sandwich nemen voor de lunch.)
•Ils vont prendre le train demain matin. (Zij gaan morgenochtend de trein nemen.)
Futur simple (toekomende tijd)
De futur simple gebruik je voor acties in de verre toekomst:
Je prendrai | Ik zal nemen |
Tu prendras | Jij zult nemen |
Il/Elle/On prendra | Hij/Zij/Men zal nemen |
Nous prendrons | Wij zullen nemen |
Vous prendrez | Jullie zullen nemen/ U zult nemen |
Ils/Elles prendront | Zij zullen nemen |

💡Tip: De stam is het hele werkwoord minus de laatste -e. Voeg uitgangen van avoir toe.
Voorbeeldzinnen:
•Elle prendra des cours de piano l'année prochaine. (Zij zal volgend jaar pianolessen nemen.)
•Nous prendrons des vacances en juillet. (Wij zullen in juli vakantie nemen.)
Conditionnel (voorwaardelijke wijs)
Gebruik de conditionnel voor hypothetische situaties:
Je prendrais | Ik zou nemen |
Tu prendrais | Jij zou nemen |
Il/Elle/On prendrait | Hij/Zij/Men zou nemen |
Nous prendrions | Wij zouden nemen |
Vous prendriez | Jullie zouden nemen/ U zou nemen |
Ils/Elles prendraient | Zij zouden nemen |

💡Tip: Uitgangen zijn gelijk aan die van de imparfait.
Voorbeeldzinnen:
•Si j'avais le temps, je prendrais des cours de danse. (Als ik tijd had, zou ik danslessen nemen.)
•Ils prendraient un taxi s'il pleuvait. (Zij zouden een taxi nemen als het regende.)













