Welke basis zin gebruik je om te zeggen dat het regent?
Het weer
In deze les leer je hoe je in het Frans over het weer kunt spreken. Je krijgt handige zinnen en vocabulaire die je helpen om het weer te beschrijven, zowel in het heden als in het verleden en de toekomst.
Leerdoelen
•Ik kan antwoord geven wanneer er een vraag over het weer wordt gesteld.
•Ik ken de vertalingen van de verschillende weertypes.
•Ik weet hoe ik het weer in de toekomst of in het verleden moet beschrijven.
•Ik ken de vocabulaire die vaak samengaat met het weerbericht.
Basiszinnen voor weerbeschrijvingen
In het Nederlands gebruiken we vaak zinnen zoals "het is mooi weer" of "het regent". Ook in het Frans hebben we enkele standaardconstructies. Hier zijn een paar voorbeelden:
•Il fait beau - Het is mooi weer.
•Il fait froid - Het is koud.
•Il pleut - Het regent.
•Il fait du soleil / Il y a du soleil - De zon schijnt / Het is zonnig.
•Il fait de l'orage - Het onweert.
•Il neige - Het sneeuwt.
Vragen over het weer
Als je wilt vragen naar het weer, kun je de volgende zinnen gebruiken:
•Quel temps fait-il? - Welk weer is het?
•Quelle température fait-il? - Welke temperatuur is het?
•Est-ce qu'il pleut? - Regent het?
Beschrijvingen van mooi weer
Bij mooi weer gebruik je vaak de volgende zinnen:
•Il fait beau - Het is mooi weer.
•Il fait chaud - Het is warm.
•Il fait du soleil - De zon schijnt.
•Il y a du soleil - Het is zonnig.
•Il fait 25 degrés - Het is 25 graden.
Slecht weer beschrijven
Voor slecht weer zijn er ook veel uitdrukkingen die je kunt gebruiken:
•Il fait mauvais - Het is slecht weer.
•Il fait froid - Het is koud.
•Il fait du vent - Het waait.
•Il fait de l'orage - Het onweert.
•Il y a une tempête - Er is een storm.
•Il y a du brouillard - Het is mistig.
•Il y a des nuages - Het is bewolkt.
•Il grelle - Het hagelt.
•Il fait 13 degrés - Het is 13 graden.
Weer in het verleden en de toekomst
Het verleden
Als je het weer in het verleden wilt beschrijven, zijn er twee belangrijke vormen:
Imparfait (voor algemene beschrijvingen):
•Il faisait beau - Het was mooi weer.
•Il faisait froid - Het was koud.
Passé Composé (voor specifieke gebeurtenissen):
•Il a fait du vent - Het heeft gewaaid (gisteren).
•Il a neigé - Het heeft gesneeuwd (vorige week).
De toekomst
Voor de toekomst gebruik je de futur simple:
•Il fera froid - Het zal koud worden.
Nuttige woordenschat
Hieronder vind je een lijst van woorden die vaak samengaan met het weer:
•La météo - het weerbericht
•Le matin - de ochtend
•L'après-midi - de middag
•Le soir - de avond
•La nuit - de nacht
Seizoenen
De seizoenen in het Frans zijn:
•Le printemps - de lente
•L'été - de zomer
•L'automne - de herfst
•L'hiver - de winter
Kledingstukken Gerelateerd aan het Weer
Hier zijn enkele kledingstukken die vaak met verschillende weertypes worden geassocieerd:
•Les lunettes de soleil - zonnebril
•Le maillot de bain - badpak
•L'imperméable - regenjas
•Le gant - handschoen
•Le bonnet - muts
•Les bottes - laarzen
In deze les heb je geleerd hoe je in het Frans over het weer kunt spreken en het op verschillende manieren kunt beschrijven. Oefen deze zinnen en termen om ze beter te onthouden!













