Welke vorm hoort bij “wij komen” in de présent?
Het werkwoord ‘venir’
In deze samenvatting wordt het werkwoord venir (komen) in diverse werkwoordstijden behandeld. De volgende werkwoordstijden worden behandeld: présent, passé composé, imparfait, futur proche, futur simple en de conditionnel. Op het eerste gezicht lijkt dit een regelmatig werkwoord dat op -IR eindigt, maar let goed op, want dit werkwoord is toch onregelmatig. Let goed op de uitzonderingen!
Leerdoelen
•Ik ken de verschillende werkwoordstijden
•Ik weet hoe ik het werkwoord ‘venir’ moet vervoegen in de
•présent
•passé composé
•imparfait
•futur proche
•futur simple
•conditionnel
•Ik kan oefenen met een paar simpele zinnetjes.
Présent (tegenwoordige tijd)
Venir betekent ‘komen’. In de présent vervoegen we het als volgt:
Je viens | Ik kom |
Tu viens | Jij kom |
Il/Elle/On vient | Hij/Zij/Men komt |
Nous venons | Wij komen |
Vous venez | Jullie komen/ U komt |
Ils/Elles viennent | Zij komen |
💡Tip: Onthoud dat 'venir' een onregelmatig werkwoord is in de tegenwoordige tijd. De stam verandert afhankelijk van het onderwerp.
Voorbeeldzinnen
•Je viens de terminer mes devoirs. (Ik ben net klaar met mijn huiswerk.)
•Ils viennent souvent chez nous le dimanche. (Zij komen vaak bij ons op zondag.)
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd)
De passé composé gebruik je voor korte, afgeronde gebeurtenissen in het verleden. Voor venir heb je het hulpwerkwoord être nodig:
Je suis venu(e) | Ik ben gekomen |
Tu es venu(e) | Jij bent gekomen |
Il/Elle/On est venu(e) | Hij/Zij/Men is gekomen |
Nous sommes venu(e)s | Wij zijn gekomen |
Vous êtes venu(e)s | Jullie zijn/ U bent gekomen |
Ils/Elles sont venu(e)s | Zij zijn gekomen |
💡Tip: Gebruik 'être' als hulpwerkwoord voor 'venir' in de passé composé. Vergeet niet het voltooid deelwoord 'venu' aan te passen aan het onderwerp: elle est venue, ils sont venus, etc.
Voorbeeldzinnen:
•Elle est venue à la fête hier soir. (Zij is gisteravond naar het feest gekomen.)
•Nous sommes venus te voir la semaine dernière. (Wij zijn je vorige week komen opzoeken.)
Imparfait (onvoltooid verleden tijd)
De imparfait gebruik je voor vage, beschrijvende of herhaalde acties in het verleden:
Je venais | Ik kwam |
Tu venais | Jij kwam |
Il/Elle/On venait | Hij/Zij/Men kwam |
Nous venions | Wij kwamen |
Vous veniez | Jullie kwamen/ U kwam |
Ils/Elles venaient | Zij kwamen |

💡Tip: Begin met de stam 'ven-' en voeg de imparfait-uitgangen toe: je venais, tu venais, il/elle venait, nous venions, vous veniez, ils/elles venaient. Deze uitgangen zijn consistent voor alle werkwoorden in de imparfait.
Voorbeeldzinnen:
•Quand j'étais enfant, je venais ici chaque été. (Toen ik kind was, kwam ik hier elke zomer.)
•Vous veniez toujours en retard à l'école. (Jullie kwamen altijd te laat op school.)
Futur proche (nabije toekomst)
Deze tijd gebruik je voor acties die binnenkort plaatsvinden. Het wordt gevormd met het werkwoord aller:
Je vais venir | Ik ga komen |
Tu vas venir | Jij gaat komen |
Il/Elle/On va ven | Hij/Zij/Men gaat komen |
Nous allons venir | Wij gaan komen |
Vous allez venir | Jullie gaan komen/ U gaat komen |
Ils/Elles vont venir | Zij gaan komen |
💡Tip: Leer de vervoeging van het werkwoord ‘venir’ goed om de futur proche te gebruiken!
Voorbeeldzinnen:
•Je vais venir te chercher à 18 heures. (Ik ga je om 18 uur ophalen.)
•Ils vont venir avec nous au concert. (Zij gaan met ons mee naar het concert.)
Futur simple (toekomende tijd)
De futur simple gebruik je voor acties in de verre toekomst:
Je viendrai | Ik zal komen |
Tu viendras | Jij zult komen |
Il/Elle/On viendra | Hij/Zij/Men zal komen |
Nous viendrons | Wij zullen komen |
Vous viendrez | Jullie zullen komen/ U zult komen |
Ils/Elles viendront | Zij zullen komen |

💡Tip: Gebruik de stam 'viendr-' en voeg de futur simple-uitgangen toe.
Voorbeeldzinnen:
•Elle viendra te voir demain. (Zij zal je morgen komen opzoeken.)
•Nous viendrons en train la prochaine fois. (Wij zullen de volgende keer met de trein komen.)
Conditionnel (voorwaardelijke wijs)
Gebruik de conditionnel voor hypothetische situaties:
Je viendrais | Ik zou komen |
Tu viendrais | Jij zou komen |
Il/Elle/On viendrait | Hij/Zij/Men zou komen |
Nous viendrions | Wij zouden komen |
Vous viendriez | Jullie zouden komen/ U zou komen |
Ils/Elles viendraient | Zij zouden komen |

💡Tip: Gebruik dezelfde stam als in de futur simple ('viendr-'), maar voeg de conditionnel-uitgangen toe.
Voorbeeldzinnen:
•Si j'avais une voiture, je viendrais plus souvent. (Als ik een auto had, zou ik vaker komen.)
•Ils viendraient à la réunion s'ils n'étaient pas occupés. (Zij zouden naar de vergadering komen als ze niet druk waren.)














