Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met de tekst.
1.De merels konden het klaslokaal binnenkomen door een open raam.
2.De kleine merels houden van warmte en gezelschap.
3.Toen de merels in de klas waren, zijn de leerlingen heel rustig gebleven.
4.De kleine merels zijn een week na de ontdekking van het nest uit hun ei gekomen.
Omcirkel 'wel' of 'niet' achter elk nummer in de uitwerkbijlage.
