« Pas de problème pour Laurence, elle combine facilement collège et travail. » (alinea 4) Laurence kan haar bijbaan en school goed combineren. Zo hoeft zij van haar baas tijdens toetsperiodes maar één dag in het weekend te werken.
→ Op welke andere manier helpt de baas van Laurence haar volgens alinea 4 ?
Schrijf je antwoord in het Nederlands op in de uitwerkbijlage.
