Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met alinea 3.
1.Léna heeft de jeugdspelers van PSG thuis bezocht.
2.De jeugdspelers van PSG moesten in het begin aan Léna wennen.
3.Het personeel van PSG was erg behulpzaam voor Léna.
Typ het nummer en zet daarachter ‘wel’ of ‘niet’.



