Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met de laatste alinea.
1.Julien werkt met verschillende glazen om geluid te maken.
2.Julien vindt de voetstappen van mensen het moeilijkst om na te doen.
3.Julien heeft het meeste materiaal overgenomen van zijn vader.
Typ het nummer en zet daarachter ‘wel’ of ‘niet’.



