Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met de tekst.
1.Toen Roman 3 jaar was, verbood zijn moeder hem om met gereedschap om te gaan.
2.Op de middelbare school heeft Roman zelf een scooter in elkaar gezet.
3.Roman heeft zijn beroepsopleiding niet afgemaakt, omdat hij met zijn handen wilde gaan werken.
Typ het nummer en zet daarachter ‘wel’ of ‘niet’.
