Geef van elke vraag aan of die wordt beantwoord in alinea 2.
1.Wat was het beroep van de vader van Picasso?
2.Hoe oud was Picasso toen hij begon met schilderen?
3.Wie heeft het talent van Picasso ontdekt?
4.Hoeveel werken heeft Picasso tijdens zijn leven verkocht?
Typ het nummer en zet daarachter ‘wel’ of ‘niet’.
