Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met de derde alinea.
1.Théo, Malia en Matthieu hebben samen al meerdere avonturen op zee beleefd.
2.Op momenten dat Théo het niet meer zag zitten, hebben Malia en Matthieu hem moed ingesproken.
Noteer 'wel' of 'niet' achter elk nummer op het antwoordblad.
