Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met alinea 6 en 7.
1.Als tiener speelde Victor toernooien in het buitenland.
2.Volgens Victor kun je het best zo vroeg mogelijk beginnen met het leren van Engels.
3.Victor deelt nog niet al zijn plannen voor de toekomst.
Typ het nummer en zet daarachter ‘wel’ of ‘niet’.



