Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met de laatste alinea.
1.De moeder van Hugo maakt deel uit van het team waarmee hij samenwerkt.
2.Hugo leidt een leven dat in veel opzichten nauwelijks verschilt van dat van andere jongeren.
3.Hugo heeft er geen moment spijt van dat hij burgemeester is geworden.
Typ het nummer en zet daarachter ‘wel’ of ‘niet’.
