Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met de tekst.
1.De school waar de vader van Agota lesgeeft, ligt vlak bij hun huis.
2.Als kind speelde Agota graag schooltje met haar broertje.
3.De broer van Agota moet van zijn moeder voor straf hout gaan hakken als hij te druk is.
4.Agota heeft veel last van kinderziektes.
5.Achter in de klas bij haar vader raakt Agota verslingerd aan lezen.
6.Opa en oma zijn trots op hun kleindochter omdat ze zo goed kan lezen.
7.Nog steeds voelt Agota zich een beetje schuldig wanneer ze 's ochtends de krant leest in plaats van dat ze het huishouden doet.
Typ het nummer en zet daarachter ‘wel’ of ‘niet’.
