Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met de derde alinea.
1.De deelnemers moeten bepalen welke kant van de pompoen het best blijft drijven.
2.De deelnemers moeten hun pompoen uithollen.
3.Hoe lichter de pompoen, hoe sneller je ermee kunt varen.
4.Bij het uithollen van de pompoen moet je oppassen dat er geen gat in komt.
Typ het nummer en zet daarachter ‘wel’ of ‘niet’.
