Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met de eerste alinea.
1.Een egel is een groepsdier.
2.Een egel is met name ’s nachts actief.
3.Een egel houdt een winterslaap.
4.Een egel heeft een heel goed reukvermogen.
Typ het nummer en zet daarachter ‘wel’ of ‘niet’.
