Geef van elke bewering aan of die overeenkomt met de tekst.
1.De vliegreis van Mali naar Nederland was gevaarlijk vanwege de overstap in Tripoli.
2.Bernadette probeert zich voor te stellen hoe Nederland overkomt op Hawa.
3.Hawa heeft nooit eerder in haar leven een ander wateroppervlak gezien dan de Niger.
4.Op het vliegveld eten Bernadette en Hawa allebei een patatje met pindasaus.
5.Hawa vindt de roltrappen op het vliegveld eng.
Noteer 'wel' of 'niet' achter elk nummer op het antwoordblad.
