Leerdoelen
•je kunt de meest voorkomende woordsoorten in het Engels benoemen.
•je kunt de functie van deze woordsoorten beschrijven en voorbeelden noemen.
•je kunt woordsoorten in een zin herkennen.
De vijf belangrijkste woordsoorten
Verb (werkwoord): Dit is een actie of iets wat gebeurt. Voorbeelden zijn to run, to walk, to like, to love.
Noun (zelfstandig naamwoord): Dit verwijst naar een mens, dier of ding. Voorbeelden zijn a cat, a house, a pen, the city of Utrecht, a girl, a teacher, Sarah, Jim.
Adjective (bijvoeglijk naamwoord): Dit zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Het staat altijd voor een zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: a red car. Hier zegt red iets over car.
Adverb (bijwoord): Dit zegt iets over een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord. Voorbeeld: a really clean house. Hier zegt really iets over clean.
Conjunction (voegwoord): Dit verbindt zinsdelen aan elkaar. Voorbeelden zijn but, and, when.




