Leerdoelen
•Je kunt in het Engels vertellen over je vakantie.
•Je kunt alle onderdelen van je vakantie benoemen in het Engels.
Algemene tips over spreken in het Engels
Voorbereiding
Een goede voorbereiding is essentieel. Begin met het opschrijven van wat je wilt zeggen in volledige zinnen. Dit helpt je om je gedachten te ordenen en om de juiste woorden te vinden. Zoek onbekende woorden op en schrijf alles op wat je wilt zeggen.
Oefenen
Oefen door hardop te spreken. Neem jezelf op en luister terug om te horen of je stottert of woorden verkeerd uitspreekt. Vraag vrienden of familie om feedback. Hoe vaker je oefent, hoe vloeiender je zult spreken.
Wat vertel je over je vakantie?
Waar en wanneer was je op vakantie?
Begin met waar en wanneer je op vakantie bent geweest. Voorbeeldzinnen:
•"Last summer I went to (land)." - "Afgelopen zomer ben ik naar (land) geweest."
•"I just got back from my vacation in (land)." - “Ik ben net teruggekomen van mijn vakantie naar (land).”
•"Two weeks ago I visited (stad)." - “Ik bezocht (stad) twee weken geleden.”
Met wie en hoe ging je op vakantie?
Vertel met wie je bent gegaan en hoe je er bent gekomen. Voorbeeldzinnen:
•"I went with my parents and my little brother." - “Ik ging met mijn ouders en mijn kleine broertje."
•"I got there by plane." - “Ik ging erheen met het vliegtuig”
•"We did a roadtrip with the entire family." - “We hebben een roadtrip gedaan met de hele familie.”
Hoe lang was je weg?
Vertel hoe lang je op vakantie was. Voorbeeldzinnen:
•"I was in Spain for one week." - “Ik was voor een week in Spanje.”
•"I went there for a couple of days." - “Ik was daar een paar dagen.”
Wat heb je gedaan en wat vond je ervan?
Vertel wat je hebt gedaan en wat je ervan vond. Voorbeeldzinnen:
•"I went swimming and it was fun." - “Ik ben gaan zwemmen en dat was leuk.”
•"I visited several cities and took a boat tour." - “Ik heb meerdere steden bezocht en ik heb een boottocht gedaan.”
Wat vond je het leukst of minder leuk?
Vertel wat je het leukst of minder leuk vond. Voorbeeldzinnen:
•"My favourite food was (eten)." - “Mijn lievelingseten was (eten).”
•"It was really boring when my parents wanted to visit a museum." - “Ik verveelde me toen mijn ouders een museum wilden bezoeken."
Andere leuke details of weetjes
Om een presentatie leuker te maken kan je weetjes of details toevoegen. Voorbeeldzinnen:
•“This is the fifth time I visited (land)!” - “Dit is de vijfde keer dat ik (land) bezocht.”
•“We go there every year, because my family has a beach house.” - “Wij gaan daar ieder jaar naartoe, omdat mijn familie daar een strandhuis heeft.”
•"This was the first time I travelled without my parents, that was exciting!" - “Dit was de eerste keer dat ik zonder mijn ouders reisde, dat was spannend!"
Wat als je niet op vakantie bent geweest?
Als je niet op vakantie bent geweest, vertel dan over andere activiteiten. Voorbeeldzinnen:
•"I went swimming because it was warm." - “Ik ben gaan zwemmen, omdat het warm was.”
•"I visited the zoo and my favourite animal was (dier)." - “Ik ben naar de dierentuin geweest en mijn lievelingdier was (dier).”
•"I had a sleepover at a friend's house." - “Ik ben gaan logeren bij een vriend thuis.”