Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat een conditional is.
•Je kunt de verschillende vormen van conditionals benoemen.
•Je kunt elke vorm van conditionals maken en uitleggen wanneer je deze gebruikt.
Vormen van conditionals
1. Zero conditional: wordt gebruikt wanneer je een algemene waarheid of gewoonte wilt uitdrukken. Je maakt deze door zowel in het ‘if’ als in het ‘then’ deel van de zin de present simple te gebruiken. Bijvoorbeeld, “if it rains, it gets wet”.

2. First conditional: wordt gebruikt wanneer iets waarschijnlijk kan gebeuren, nu of in de toekomst. Je maakt deze door in het 'if'-deel de present simple en in het 'then'-deel 'will' plus het hele werkwoord te gebruiken. Bijvoorbeeld, "if it rains again later, we will stay inside".

3. Second conditional: wordt gebruikt om onmogelijke, onwaarschijnlijke of fantasiegebeurtenissen uit te drukken, nu of in de toekomst. Je maakt deze door in het 'if'-deel de past simple en in het 'then'-deel 'would' plus het hele werkwoord te gebruiken. Bijvoorbeeld, "if I won the lottery, I would buy a castle". Belangrijke uitzondering: als er wordt gesproken over 'I', gebruik dan 'were' in plaats van 'was'. Bijvoorbeeld "If I were there, I would be happy."

4. Third conditional: wordt gebruikt om iets te bespreken dat definitief niet gebeurd is in het verleden en de hypothetische gevolgen daarvan. Deze maak je door in het 'if'-deel de past perfect en in het 'then'-deel 'would have' plus het voltooid deelwoord te gebruiken. Bijvoorbeeld, "if I had studied, I would have passed the test".













