Wanneer gebruik je de present perfect?
Leerdoelen
•Je kunt aangeven wanneer je de Present Perfect moet gebruiken.
•Je kunt de Present Perfect herkennen in een Engelse zin.
•Je kunt zelf een Engelse zin maken waarin de Present Perfect op de juiste manier wordt toegepast.
Wanneer gebruik je de Present Perfect?
De belangrijkste regel om te onthouden is dat je de Present Perfect gebruikt als iets in het verleden is begonnen en het is nog niet af. De actie of situatie duurt dus nog steeds voort, of de gevolgen ervan zijn nu nog steeds merkbaar.
Voorbeelden:
•"She has lived in Utrecht since 2010."
•Deze situatie is nog niet af, want ze woont daar dus nog steeds.
•"I have lost my keys."
•Deze situatie is ook nog niet af, want deze persoon is zijn sleutels nog steeds kwijt.
•"I have never been to Spain."
•Dit is ook nog niet af, want de persoon is tot heden niet in Spanje geweest.
Om de Present Perfect te herkennen in een zin, kun je letten op zogenaamde signaalwoorden. Een handig ezelsbruggetje hiervoor is Fijne jas. De letters staan voor:
•For (al, bijvoorbeeld 'for two years')
•Yet (nog, tot nu toe – vaak in vragen of ontkenningen)
•Never (nooit)
•Ever (ooit – vaak in vragen)
•Just (net, zojuist)
•Already (al, reeds)
•Since (sinds, bijvoorbeeld 'since 2010')
In de voorbeelden die je eerder zag, kom je al twee signaalwoorden tegen: "since" (in 'since 2010') en "never" (in 'never been to Spain'). Let op: deze signaalwoorden worden niet altijd gebruikt; het is een hulpmiddel en geen vaste regel.
Hoe maak je de Present Perfect?
De present perfect maak je altijd met een vorm van het werkwoord to have plus het voltooid deelwoord.
Have of has? De SHIT-regel
Om te weten of je 'have' of 'has' moet gebruiken, kun je de SHIT-regel onthouden:
•She
•He
•It
Bij deze drie gebruik je altijd has. Alle andere persoonlijke voornaamwoorden gebruiken have:
•I
•You
•We
•They
Het voltooid deelwoord
De vorm van het voltooid deelwoord verschilt per werkwoord:
1.Regelmatige werkwoorden: hier zet je simpelweg -ed achter het hele werkwoord.
1.Voorbeeld: walk -> walked, bake -> baked
2."I have walked."
3."He has baked." (denk aan de SHIT-regel!)
2.Onregelmatige werkwoorden: deze zijn lastiger, want ze volgen geen vaste regel. Je moet het derde rijtje van de onregelmatige werkwoorden gebruiken. Er zijn een paar honderd van deze werkwoorden.
1.Voorbeeld: swim -> swam -> swum (de derde vorm)
2.Voorbeeld: buy -> bought -> bought
3.Voorbeeld: steal -> stole -> stolen
4."I have bought."
5."She has stolen."
Uitzonderingen bij regelmatige werkwoorden
Wanneer je -ed achter een regelmatig werkwoord plakt, zijn er vier uitzonderingen waar je rekening mee moet houden:
1.Werkwoorden die eindigen op -e: voeg dan alleen -d toe.
1.move -> moved (niet move-ed)
2.Werkwoorden die eindigen op een medeklinker + -y: verander de -y in een -i en voeg dan -ed toe.
1.carry -> carried
3.Korte werkwoorden met één klinker en één medeklinker aan het eind: verdubbel de laatste medeklinker voordat je -ed toevoegt.
1.clap -> clapped (niet clap-ed)
2.stop -> stopped
4.Werkwoorden die eindigen op -l: verdubbel de -l voordat je -ed toevoegt (dit geldt vooral in Brits Engels).
1.travel -> travelled
Zinstypen met de Present Perfect
De Present Perfect kun je gebruiken in verschillende soorten zinnen:
1.Bevestigende zin (Affirmative sentence):
1."I have walked."
2."She has walked."
2.Ontkennende zin (Negative sentence):
1.Hier voeg je 'not' toe na 'have' of 'has'.
2."I have not walked." (Afkorting: I haven't walked.)
3."She has not walked." (Afkorting: She hasn't walked.)
3.Vragende zin (Interrogative sentence):
1.Hier zet je 'have' of 'has' vooraan in de zin.
2."Have I walked?"
3."Has she walked?"













