Leerdoelen
•Je kunt in het Engels een gebeurtenis in het verleden correct omschrijven.
•Je kunt de past simple correct toepassen in bevestigende zinnen.
•Je kunt de past simple correct toepassen in ontkennende zinnen.
•Je kunt de past simple correct toepassen in vraagzinnen.
Wanneer gebruik je de past simple?
De past simple gebruik je om een actie te omschrijven die in het verleden is begonnen én is afgelopen. De actie is dus helemaal klaar. Je kunt de past simple ook gebruiken om gewoontes te beschrijven die in het verleden plaatsvonden, maar nu niet meer. Het gaat dus altijd over iets uit het verleden dat is afgerond.
Voorbeelden:
•I flew to Spain last year. (Ik vloog vorig jaar naar Spanje. De reis is voorbij.)
•I visited my grandma last night. (Ik bezocht mijn oma gisteravond. Het bezoek is afgelopen.)
•I went there in two thousand and six. (Ik ging daarheen in tweeduizendzes. Ik ben er nu niet meer.)
Bevestigende zinnen maken
Regelmatige werkwoorden
Bij regelmatige werkwoorden voeg je meestal -ed toe aan het werkwoord. Formule: onderwerp + werkwoord + -ed Voorbeeld: I walked to school yesterday. (Ik liep gisteren naar school.)
•Walk → walked
•Play → played
•Talk → talked
Uitzonderingen bij regelmatige werkwoorden
Er zijn een paar uitzonderingen waar je op moet letten bij het toevoegen van -ed:
•Werkwoorden die eindigen op een -e: Voeg alleen een -d toe.
•Move wordt moved (niet moveed).
•Live wordt lived.
•Werkwoorden die eindigen op een medeklinker + -y: Verander de -y in -i en voeg dan -ed toe.
•Carry wordt carried (niet carryed).
•Study wordt studied.
•Werkwoorden die eindigen op klinker + medeklinker (en één lettergreep): Verdubbel de laatste medeklinker en voeg -ed toe.
•Clap wordt clapped (één klinker 'a', eindigt op medeklinker 'p').
•Stop wordt stopped.
•Werkwoorden die eindigen op -l met een klinker ervoor: Verdubbel de -l en voeg -ed toe.
•Travel wordt travelled (in Brits Engels, in Amerikaans Engels vaak traveled).
Onregelmatige werkwoorden
Bij onregelmatige werkwoorden is er geen vaste regel. Je gebruikt de tweede vorm uit het rijtje van onregelmatige werkwoorden (bijvoorbeeld: swim, swam, swum). Deze rijtjes moet je uit je hoofd leren.
Voorbeelden:
•Swim → swam (I swam in the lake.)
•Draw → drew (She drew a beautiful picture.)
•Teach → taught (He taught English for years.)
Ontkennende zinnen maken
Om een ontkennende zin in de past simple te maken, gebruik je het hulpwerkwoord 'did not' (of de afkorting 'didn't') en de stam van het actiewerkwoord. Het actiewerkwoord blijft in de basisvorm, omdat 'did' al aangeeft dat het om de verleden tijd gaat.
Formule: onderwerp + did not + stam van het actiewerkwoord Voorbeelden:
•I did not walk to school yesterday. (Ik liep gisteren niet naar school.)
•She did not draw that yesterday. (Zij tekende dat gisteren niet.)
Vraagzinnen maken
Voor vraagzinnen in de past simple zet je het hulpwerkwoord 'did' vooraan de zin, gevolgd door het onderwerp en de stam van het actiewerkwoord. Ook hier blijft het actiewerkwoord in de basisvorm.
Formule: did + onderwerp + stam van het actiewerkwoord? Voorbeelden:
•Did she walk to school yesterday? (Liep zij gisteren naar school?)
•Did you draw that yesterday? (Tekende jij dat gisteren?)
Hier is een overzicht:
Bevestigend | Ontkennend | Vragend |
|---|---|---|
I walked | I didn't walk | Did I walk? |
You walked | You didn't walk | Did you walk? |
He/she/it walked | He/she/it didn't walk | Did he/she/it walk? |
They walked | They didn't walk | Did they walk? |
You walked | You didn't walk | Did you walk? |
We walked | We didn't walk | Did we walk? |
Afkortingen
In de past simple kunnen afkortingen zoals 'didn't' voor 'did not' helpen om de taal vlotter en informeler te maken. Bij de bevestigende vorm zijn afkortingen echter niet toepasbaar.
Let wel op: in schriftelijke vorm, zoals essays, is het vaak gepaster om de volledige vorm te gebruiken.
De past simple herkennen
Soms is het lastig om te weten wanneer je de past simple moet gebruiken. Gelukkig is er een handig ezelsbruggetje: Lady W voor signaalwoorden. Dit zijn woorden die vaak in zinnen voorkomen en aangeven dat je de past simple moet gebruiken.
•Last: last week, last month, last year, last night, last time.
•Voorbeeld: I went to the cinema last night.
•Ago: two days ago, ten years ago, a long time ago.
•Voorbeeld: She moved here two years ago.
•Date: in 2006, on Friday the tenth of July, in December.
•Voorbeeld: They got married in 2010.
•Yesterday: yesterday morning, yesterday afternoon, yesterday evening.
•Voorbeeld: We played football yesterday.
•When: when I was young, when he called.
•Voorbeeld: When I was a child, I lived in London.
Als je deze woorden tegenkomt, weet je dat iets in het verleden is gebeurd en is afgelopen, en dat je dus de past simple moet gebruiken.













