Wanneer gebruik je de past continuous?
Leerdoelen
•Je kunt in het Engels een langdurige handeling in het verleden beschrijven.
•Je kunt de past continuous correct toepassen in bevestigende, ontkennende en vraagzinnen.
Wanneer gebruik je de past continuous?
De past continuous gebruik je in twee situaties om aan te geven dat iets in het verleden aan de gang was.
1.Een langdurige actie in het verleden: Je gebruikt de past continuous als je wilt praten over iets wat een tijdje duurde in het verleden. Denk aan activiteiten waar je wel een uur of langer mee bezig bent. Voorbeeld: "I was watching a movie yesterday." (Ik was gisteren een film aan het kijken.)
2.Het verschil tussen een lange en een korte actie die elkaar overlappen: Soms gebeuren er twee dingen tegelijk in het verleden, waarbij de ene actie langer duurde dan de andere. De past continuous gebruik je dan voor de langere actie. Voorbeeld: "I was biking to school when I suddenly sneezed." (Ik was naar school aan het fietsen toen ik plotseling niesde.) In dit voorbeeld is 'biking' de langere actie en 'sneezed' de korte actie die daar tussendoor kwam.
Hoe vorm je de past continuous?
Om de past continuous te maken, heb je drie onderdelen nodig:
1.Een vorm van 'to be' in het verleden: was of were.
2.De stam van het werkwoord.
3.Achter de stam van het werkwoord voeg je -ing toe.
Voorbeeld: "I was walking." (Ik was aan het lopen.) Dit betekent dat je niet slechts twee seconden liep, maar een tijdje.
Let op: Als de stam van een werkwoord eindigt op een 'e', valt deze 'e' weg voordat je '-ing' toevoegt. Dit is belangrijk voor de uitspraak.
Voorbeeld: "I was moving." (Ik was aan het verhuizen.)
Was of were?
Om te weten of je 'was' of 'were' moet gebruiken, kun je de "SHIT"-regel onthouden:
•Voor I, she, he en it gebruik je was.
•Voor de rest (you, we, they) gebruik je were.
Enkele voorbeelden:
•I was talking.
•You were talking.
Ontkennende zinnen
Wil je een zin ontkennend maken in de past continuous? Dan hoef je alleen het woordje not toe te voegen na 'was' of 'were' en vóór het werkwoord met '-ing'.
•"I was not walking." (Ik was niet aan het lopen.)
•"They were not talking." (Zij waren niet aan het praten.)
Je kunt 'was not' en 'were not' ook afkorten:
•"I wasn't walking."
•"They weren't talking."
Vraagzinnen
Voor een vraagzin in de past continuous draai je de volgorde van het onderwerp en 'was' of 'were' om. 'Was' of 'were' komt dan vóór het onderwerp te staan. De rest van de zin blijft hetzelfde.
•Bevestigende zin: "I was walking."
•Vraagzin: "Was I walking?" (Was ik aan het lopen?)
Meer voorbeelden:
•"Were they walking?" (Waren zij aan het lopen?)
•"Were you talking?" (Was jij aan het praten?)
Hier is een overzicht:
Bevestigend | Ontkennend | Vragend |
|---|---|---|
I was walking. | I wasn't walking. | Was I walking? |
He/she/it was walking. | He/she/it wasn't walking. | Was he/she/it walking? |
You were walking. | You weren't walking. | Were you walking? |
We were walking. | We weren't walking. | Were we walking? |
You were walking. | You weren't walking. | Were you walking? |
They were walking. | They weren't walking. | Were they walking? |
Let op: in schriftelijke vorm, zoals essays, is het vaak gepaster om de volledige vorm te gebruiken.













