Geef een voorbeeld van een automatische stabilisator.
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat ingebouwde stabilisatoren zijn en hoe ze de conjunctuur beïnvloeden.
•Je kunt het verschil tussen anticyclisch beleid en procyclisch beleid uitleggen in relatie tot conjunctuurschommelingen.
•Je kunt de factoren benoemen die het uitvoeren van anticyclisch beleid lastig maken.
•Je kunt het inverdieneffect en het uitverdieneffect uitleggen.
•Je kunt uitleggen waarom de euro Nederland beperkt in het bestrijden van een laagconjunctuur via monetair beleid.
Automatische ingebouwde stabilisatoren
Conjunctuurschommelingen, de natuurlijke ups en downs in de economie, kunnen worden gedempt door ingebouwde stabilisatoren in onze economie. Deze stabilisatoren worden ook wel automatische stabilisatoren genoemd, omdat de overheid er geen actieve besluiten voor hoeft te nemen; ze werken vanzelf.
Een belangrijk voorbeeld hiervan is ons stelsel van sociale zekerheid. Wanneer mensen hun baan kwijtraken en werkloos worden, vangt een uitkering (zoals een WW-uitkering) een deel van hun inkomensverlies op. Hoewel hun koopkracht nog steeds daalt, is deze daling minder sterk dan wanneer ze geen uitkering zouden ontvangen. Dit dempt het negatieve effect van werkloosheid op de totale koopkracht in de economie.
Een ander voorbeeld is het progressieve belastingstelsel. In dit systeem betaal je procentueel meer belasting naarmate je inkomen hoger is. Dit betekent dat de gemiddelde belastingdruk toeneemt bij een inkomensstijging.
•Tijdens een hoogconjunctuur, wanneer de inkomens doorgaans stijgen, zorgt het progressieve belastingstelsel ervoor dat het besteedbaar inkomen minder hard stijgt dan het bruto-inkomen. Hierdoor wordt de groei van de bestedingen afgeremd, wat oververhitting van de economie tegengaat.
•Tijdens een laagconjunctuur, wanneer de inkomens dalen, zorgt het stelsel ervoor dat het besteedbaar inkomen minder hard daalt dan het bruto-inkomen. Het vangt als het ware de grootste klappen op.
Actief conjunctuurbeleid
De overheid kan ook bewust actieve besluiten nemen om de conjunctuur te beïnvloeden, naast de automatische stabilisatoren. Dit noemen we actief conjunctuurbeleid, en het kan op twee manieren worden gevoerd: anticyclisch of procyclisch.
Anticyclisch beleid
Anticyclisch beleid houdt in dat de overheid juist tegen de economische cyclus in beweegt. Het doel is om de conjunctuurschommelingen af te vlakken, zodat de pieken en dalen minder extreem zijn. Dit beleid is ooit bedacht door de econoom Keynes. [Plaats hier een grafiek: Een stilistische weergave van een conjunctuurgolf met een tweede, afgevlakte golf eroverheen, ter illustratie van anticyclisch beleid.]
•Bij een laagconjunctuur: de overheid wil de bestedingen stimuleren. Dit kan op twee manieren:
•De belastingen verlagen, zodat burgers en bedrijven meer geld overhouden en meer kunnen besteden.
•De overheidsbestedingen verhogen, bijvoorbeeld door extra te investeren in projecten of openbare diensten.
•Bij een hoogconjunctuur: de overheid wil de bestedingen afremmen om oververhitting van de economie en hoge inflatie te voorkomen. Dit kan eveneens op twee manieren:
•De belastingen verhogen, waardoor mensen minder besteedbaar inkomen overhouden en hun bestedingen verminderen.
•De eigen overheidsbestedingen beperken of bezuinigen.
Procyclisch beleid
Procyclisch beleid is het tegenovergestelde van anticyclisch beleid. Hierbij versterkt de overheid juist de conjunctuurbeweging. Dit leidt tot grotere schommelingen in de economie.
•Bij een hoogconjunctuur: de overheid stimuleert de economie nog verder, bijvoorbeeld door extra te besteden of de belastingen te verlagen. Dit versterkt de groei, maar vergroot ook het risico op oververhitting en ongewenste inflatie.
•Bij een laagconjunctuur: de overheid remt de economie verder af, bijvoorbeeld door extra te bezuinigen of de belastingen te verhogen. Dit kan de economie in een nog dieper dal duwen, met meer werkloosheid en lagere inkomens tot gevolg.
Waarom anticyclisch beleid lastig is
Hoewel anticyclisch beleid gunstig klinkt, is het in de praktijk erg moeilijk goed uit te voeren. Dit komt door een aantal factoren:
•De stand van de economie is lastig te bepalen: het is complex om precies vast te stellen in welke fase van de conjunctuur de economie zich bevindt: zitten we op de piek, in een dal, of ergens daartussenin? Deze onzekerheid maakt het moeilijk om tijdig het juiste beleid in te zetten.
•Timing van het beleid is erg moeilijk: zelfs wanneer de economische situatie duidelijk is, duurt het enige tijd voordat beleidsmaatregelen daadwerkelijk zijn doorgevoerd en de effecten ervan merkbaar worden in de economie. De overheid kan hierdoor “achter de feiten aanlopen”.
•Politieke besluitvorming kost tijd: het proces van politieke besluitvorming over belangrijke zaken zoals belastingverhogingen of grote investeringen is vaak traag. Dit vertraagt de uitvoering van anticyclisch beleid verder.
•Het is moeilijk uit te leggen aan kiezers:
•Als het economisch goed gaat, snappen veel mensen niet waarom de overheid zou bezuinigen of belastingen zou verhogen. Hun logische reflex is: "Het gaat toch goed?"
•Als het economisch slecht gaat, vinden veel mensen het onlogisch dat de overheid extra geld uitgeeft, wat kan leiden tot een stijging van de staatsschuld. Hun reflex is: "Moeten we niet zuiniger aan doen?"
•Gevolgen voor het overheidssaldo: anticyclisch beleid, vooral tijdens een laagconjunctuur (extra uitgaven en/of belastingverlagingen), leidt in eerste instantie tot een groter overheidstekort en een hogere staatsschuld. Dit kan politiek onwenselijk zijn en tot discussies leiden over de belasting van toekomstige generaties.
Het inverdieneffect
Desondanks kan anticyclisch beleid, bijvoorbeeld tijdens een laagconjunctuur, toch een goed idee zijn vanwege het inverdieneffect. Dit houdt in dat overheidsmaatregelen zichzelf gedeeltelijk terugverdienen.
Stel, de overheid voert anticyclisch beleid in een laagconjunctuur door:
•De overheidsbestedingen te verhogen.
•De belastingen te verlagen.
Dit leidt tot een toename van de totale vraag in de economie, de zogenaamde geaggregeerde vraag. Doordat de overheid meer besteedt en burgers door lagere belastingen meer kunnen besteden, trekt de economie aan:
1.Bedrijven ontvangen meer vraag en gaan meer produceren en verkopen.
2.Het binnenlands inkomen stijgt doordat bedrijven meer personeel aannemen, lonen stijgen en winsten toenemen.
3.Als het binnenlands inkomen stijgt, wordt er meer belasting betaald (denk aan inkomstenbelasting, winstbelasting en btw over producten).
Door deze hogere belastinginkomsten verdient de overheid een deel van de initiële belastingverlaging of extra uitgaven weer terug. Dit betekent dat het overheidstekort in eerste instantie toeneemt door het beleid, maar daarna weer wat afneemt door het inverdieneffect.

Het uitverdieneffect
Het uitverdieneffect is het tegenovergestelde van het inverdieneffect. Hierbij verdienen overheidsmaatregelen zichzelf juist niet terug en kosten ze zelfs meer dan verwacht. Dit kan gebeuren door lagere belastingopbrengsten of hogere uitgaven.
Een voorbeeld van een situatie waarin het uitverdieneffect kan optreden, is een belastingverhoging tijdens een laagconjunctuur. Dit is procyclisch beleid:
1.De belastingverhoging zorgt ervoor dat burgers en bedrijven minder besteedbaar inkomen hebben.
2.De geaggregeerde vraag daalt nog verder, waardoor de economie nog sterker afremt.
3.Deze afremming leidt tot minder bedrijfsactiviteit en stijgende werkloosheid.
4.Hierdoor dalen de belastingopbrengsten (minder inkomstenbelasting, winstbelasting, btw) en stijgen de uitgaven van de overheid (bijvoorbeeld aan uitkeringen).
Het gevolg is dat de verwachte extra belastinginkomsten door de verhoging niet alleen uitblijven, maar zelfs dalen, en de overheidsbegroting nog verder onder druk komt te staan. De maatregel "kost" dan meer dan het oplevert.
Monetair conjunctuurbeleid en de euro
Naast fiscaal beleid (via belastingen en overheidsuitgaven) kan conjunctuurbeleid ook via monetair beleid worden gevoerd. Monetair beleid omvat maatregelen om de conjunctuur te sturen door:
•Rente te bepalen.
•Geldhoeveelheid in omloop aan te passen.
•Wisselkoersbeleid te voeren.
Nederland kan echter geen eigen monetair conjunctuurbeleid voeren. Dit komt doordat wij de euro gebruiken en deel uitmaken van de eurozone. Hoewel Nederland een eigen centrale bank heeft (De Nederlandsche Bank, DNB), valt deze onder de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank (ECB).
De ECB is verantwoordelijk voor het monetaire beleid van de gehele eurozone. Dit betekent dat Nederland niet zelfstandig de rente kan aanpassen, de geldhoeveelheid kan beïnvloeden of een eigen wisselkoersbeleid kan voeren om bijvoorbeeld een laagconjunctuur te bestrijden. Het monetaire beleid van de ECB is gericht op prijsstabiliteit voor de hele eurozone en niet specifiek op de conjuncturele situatie van één lidstaat. De euro beperkt Nederland dus in het zelfstandig bestrijden van een laagconjunctuur via monetair beleid.












