Bereken het nieuwe evenwicht
Leerdoelen
•Je kunt de oorzaak en beweegreden van overheidsingrijpen in de markt uitleggen.
•Je kunt de gevolgen van minimum- en maximumprijzen en hun effecten op het surplus beschrijven.
•Je kunt de effecten van heffingen (accijnzen) op de prijs, hoeveelheid en surplus uitleggen.
•Je kunt de effecten van subsidies op de prijs, hoeveelheid en surplus uitleggen.
•Je kunt de invloed van overheidsingrijpen op de totale welvaart uitleggen.
Overheidsingrijpen in het marktmechanisme
De overheid is een externe speler in de markt en haar ingrijpen is vaak een politieke keuze, afhankelijk van politieke voorkeuren en de samenstelling van de Tweede Kamer. De overheid grijpt in om de marktuitkomsten te beïnvloeden wanneer deze niet optimaal worden geacht.
Redenen voor overheidsingrijpen
Een belangrijke reden voor overheidsingrijpen is het beschermen van innovatie. De overheid kan een bedrijf een octrooi of patent geven op een innovatie. Dit verstoort de markt, omdat de producent tijdelijk veel macht krijgt om de prijs te bepalen en zo het surplus te beïnvloeden. Zonder deze bescherming zouden bedrijven, na hoge investeringen in onderzoek en ontwikkeling, kwetsbaar zijn voor concurrenten die hun ideeën stelen en goedkoper aanbieden (omdat zij geen ontwikkelingskosten hebben). Dit zou de stimulans om te innoveren wegnemen, wat de overheid wil voorkomen.
Prijsregulering: minimum- en maximumprijzen
De overheid kan ook direct ingrijpen in de prijsvorming door minimum- of maximumprijzen in te stellen.
Een maximumprijs wordt ingesteld als de overheid vindt dat een product of dienst te duur is. Deze prijs ligt altijd onder de evenwichtsprijs, anders heeft het geen effect.
Een minimumprijs wordt ingesteld als de overheid vindt dat een product of dienst te goedkoop is (bijvoorbeeld om producenten te beschermen). Deze prijs ligt altijd boven de evenwichtsprijs.
Gevolgen van een minimumprijs
•Vraag daalt: Consumenten haken af door de hogere prijs.
•Aanbod stijgt: Producenten willen meer aanbieden door de hogere prijs.
Ontstaat een aanbodoverschot: Er blijven producten over die niet verkocht worden. Soms koopt de overheid dit overschot op.
Gevolgen van een maximumprijs
•Vraag stijgt: Consumenten willen meer kopen door de lagere prijs.
•Aanbod daalt: Producenten willen minder aanbieden door de lagere prijs.
Ontstaat een vraagoverschot: Er zijn meer mensen die het product willen kopen dan er beschikbaar is.
Rekenvoorbeeld
Stel, de maximumprijs is € 20. De vraagfunctie is
en de aanbodfunctie is
Bereken de gevraagde hoeveelheid (QV) bij P = € 20:
QV=(-15\cdot20)+1150=-300+1150=850QV=(-1520)+1150=-300+1150=850
Bereken de aangeboden hoeveelheid (QA) bij P = € 20:
QA=(50\cdot20)-800=1000-800=200QA=(5020)-800=1000-800=200
Bereken het vraagoverschot:
Vraagoverschot =
Bij een maximumprijs van € 20 is er een vraagoverschot van 650 eenheden, wat betekent dat 650 mensen "achter het net vissen".
Overheidsingrijpen en het surplus (welvaart)
Overheidsingrijpen beïnvloedt ook het consumentensurplus en het producentensurplus, en daarmee de totale welvaart.
Minimumprijs:
•Het consumentensurplus wordt kleiner (door de hogere prijs).
•Het producentensurplus wordt groter (door de hogere prijs en opkoop door overheid).
•Er ontstaat welvaartsverlies (deadweight loss of Harberger-driehoek), omdat de markt niet meer in evenwicht is en er minder wordt verhandeld dan optimaal is.

Maximumprijs:
•Het consumentensurplus wordt groter (door de lagere prijs).
•Het producentensurplus wordt kleiner (door de lagere prijs en minder aanbod).
•Er ontstaat ook hier welvaartsverlies (deadweight loss), omdat er een tekort is en er minder wordt verhandeld dan optimaal is.

Heffingen (accijnzen)
De overheid kan ook ingrijpen door accijnzen te heffen op goederen die slecht zijn voor mens of milieu, zoals benzine, tabak en alcohol.
Gevolgen van accijnzen
•Prijs stijgt: Producenten berekenen de accijns door in de prijs, waardoor de prijs voor de consument stijgt. De prijs is nu: kosten + accijns + winstmarge.
•Aanbodlijn verschuift: De collectieve aanbodlijn verschuift naar links/boven, omdat producenten voor elke hoeveelheid een hogere prijs vragen (of minder aanbieden voor dezelfde prijs).
•Consumentenprijs (Pc) en producentenprijs (Pp): De consument betaalt een hogere prijs (Pc), terwijl de producent een lagere prijs (Pp) overhoudt na aftrek van de accijns.
Surplusverandering:
•Het consumentensurplus wordt kleiner.
•Het producentensurplus wordt kleiner.
•Er ontstaat een overheidsopbrengst (de accijns zelf), vaak weergegeven als een rechthoek in de grafiek.
•Er is welvaartsverlies (deadweight loss), omdat de totale welvaart afneemt door de afname van consumenten- en producentensurplus die groter is dan de overheidsopbrengst.
Berekening van welvaartsverlies: Het welvaartsverlies is het verschil tussen het oude totale surplus (consumentensurplus + producentensurplus in evenwicht) en het nieuwe totale surplus (consumentensurplus + producentensurplus + overheidsopbrengst).

Subsidies: goederen goedkoper maken
De overheid kan ook subsidies geven om goederen te stimuleren die goed zijn voor mens of milieu, zoals zonnepanelen of onderwijs.
Gevolgen van subsidies
•Prijs daalt: Producenten kunnen hun producten voor een lagere prijs aanbieden (of de consument krijgt een deel direct). De prijs is nu: kosten - subsidie + winstmarge.
•Aanbodlijn verschuift: De collectieve aanbodlijn verschuift naar rechts/beneden, omdat producenten voor elke hoeveelheid een lagere prijs vragen (of meer aanbieden voor dezelfde prijs).
•Consumentenprijs (Pc) en producentenprijs (Pp): De consument betaalt een lagere prijs (Pc), terwijl de producent een hogere prijs (Pp) ontvangt (door de subsidie).
Surplusverandering:
•Het consumentensurplus wordt groter.
•Het producentensurplus wordt groter.
•De overheid maakt subsidiekosten, weergegeven als een rechthoek in de grafiek.
•Er is welvaartsverlies als de subsidiekosten groter zijn dan de toename van het consumenten- en producentensurplus. Subsidies kosten de overheid geld, wat ten koste kan gaan van andere voorzieningen.
Rekenvoorbeeld
Stel, de vraagfunctie is en de aanbodfunctie is . De evenwichtsprijs is € 13 en de evenwichtshoeveelheid is 24 eenheden. De overheid geeft een subsidie van € 3 per product.
Hoe leiden we de nieuwe aanbodfunctie af?
1.Herschrijf de aanbodfunctie om P uit te drukken in Q: QA=3P-15\to QA+15=3P\to P=(\frac13)QA+5QA=3P-15\to QA+15=3P-P=(\frac13)QA+5QA=3P-15\to QA+15=3PP=(\frac13)QA+5QA=3P-15-QA+15=3PP=(\frac13)QA+5QA=3P-15QA+15=3PP=(\frac13)QA+5QA=3P-15QA+15=3PP=(\frac13/)QA+5QA=3P-15QA+15=3PP=(\frac13/3)QA+5QA=3P-15QA+15=3PP=(\frac{1}{\placeholder{}}/3)QA+5
2.Verwerk de subsidie in de prijs: De producent ontvangt nu € 3 extra, dus de prijs die de consument betaalt is € 3 lager voor dezelfde aangeboden hoeveelheid. \text{Nieuwe }P=(\frac13)QA+5-3=(\frac13)QA+2\text{Nieuwe }P=(\frac13)QA+5-3=(\frac13/)QA+2\text{Nieuwe }P=(\frac13)QA+5-3=(\frac13/3)QA+2\text{Nieuwe }P=(\frac13)QA+5-3=(\frac{1}{\placeholder{}}/3)QA+2\text{Nieuwe }P=(\frac13)QA+5-3=(1/3)QA+2\text{Nieuwe }P=(\frac13/)QA+5-3=(1/3)QA+2\text{Nieuwe }P=(\frac13/3)QA+5-3=(1/3)QA+2\text{Nieuwe }P=(\frac{1}{\placeholder{}}/3)QA+5-3=(1/3)QA+2\text{Nieuwe }P=(1/3)QA+5-3=(1/3)QA+2\text{Nieuwe}P=(1/3)QA+5-3=(1/3)QA+2\text{Nieuw}P=(1/3)QA+5-3=(1/3)QA+2\text{Nieu}P=(1/3)QA+5-3=(1/3)QA+2\text{Nie}P=(1/3)QA+5-3=(1/3)QA+2\text{Ni}P=(1/3)QA+5-3=(1/3)QA+2\text{N}P=(1/3)QA+5-3=(1/3)QA+2P=(1/3)QA+5-3=(1/3)QA+2
3.Herschrijf terug naar de aanbodfunctie (QA in P): P-2=(\frac13)QA\to QA=3\cdot(P-2)\to QA=3P-6P-2=(\frac13)QA\to QA=3\cdot(P-2)\to Q=3P-6P-2=(\frac13)QA\to QA=3\cdot(P-2)\to=3P-6P-2=(\frac13)QA\to QA=3\cdot(P-2)-=3P-6P-2=(\frac13)QA\to QA=3\cdot(P-2)=3P-6P-2=(\frac13)QA\to QA3\cdot(P-2)=3P-6P-2=(\frac13)QA\to Q3\cdot(P-2)=3P-6P-2=(\frac13)QA\to3\cdot(P-2)=3P-6P-2=(\frac13)QA-3\cdot(P-2)=3P-6P-2=(\frac13)QA-?3\cdot(P-2)=3P-6P-2=(\frac13)QA-3\cdot(P-2)=3P-6P-2=(\frac13)QA3\cdot(P-2)=3P-6P-2=(\frac13)QA3\cdot(P-2)==3P-6P-2=(\frac13)QA3\cdot(P-2)=QAQA=3P-6P-2=(\frac13)QA3(P-2)=QAQA=3P-6P-2=(\frac13)QA3*(P-2)=QAQA=3P-6P-2=(\frac13/)QA3*(P-2)=QAQA=3P-6P-2=(\frac13/3)QA3*(P-2)=QAQA=3P-6P-2=(\frac{1}{\placeholder{}}/3)QA3*(P-2)=QAQA=3P-6 De nieuwe aanbodfunctie is dus
4.Met deze nieuwe functie: De nieuwe evenwichtsprijs is € 11,20: -2P+50=3P-6\to5P=56\to P=11,20-2P+50=3P-6\to5P=56-P=11,20-2P+50=3P-6\to5P=56P=11,20-2P+50=3P-6\to5P=56=P=11,20-2P+50=3P-6\to5P=56=>P=11,20-2P+50=3P-6-5P=56=>P=11,20-2P+50=3P-65P=56=>P=11,20-2P+50=3P-6=5P=56=>P=11,20 De nieuwe evenwichtshoeveelheid is 27,6 eenheden: Q=-2\cdot11,20+50=27,6Q=-211,20+50=27,6 Let op: als in een opgave staat Q x 1000, dan is de hoeveelheid 27.600 De omzet is dan 27.600\cdot11,20=\euro309.12027.600\cdot11,20=\euro309.1227.600\cdot11,20=\euro309.127.600\cdot11,20=\euro309.27.600\cdot11,20=\euro30927.600\cdot11,20=\euro3027.600\cdot11,20=\euro327.600\cdot11,20=\euro27.600\cdot11,20=27.600\cdot11,2027.60011,20
5.De subsidiekosten voor de overheid zijn: 27.600\cdot\euro3=\euro82.80027.600\cdot\euro3=\euro82.8027.600\cdot\euro3=\euro828027.600\cdot\euro3=\euro82,8027.600\euro3=\euro82,8027.600*\euro3=\euro82,8027.60*\euro3=\euro82,8027.6*\euro3=\euro82,8027.*\euro3=\euro82,8027*\euro3=\euro82,8027,*\euro3=\euro82,80













