Leg in je eigen woorden uit wat het IS-MB-GA model laat zien.
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen hoe de verschillende modellen (IS, MB en GA) samenwerken.
Het IS-MB-GA-model
Het IS-MB-GA-model is een belangrijk instrument in de macro-economie om de wisselwerking tussen de goederenmarkt, het monetaire beleid en de aanbodkant van de economie te analyseren. De onderdelen van het IS-MB-GA-model zijn:
•Het Keynesiaanse kruis: dit toont het verband tussen de effectieve vraag (totale bestedingen in de economie) en het inkomen (totale productie). Het evenwichtsinkomen wordt bepaald door de totale vraag.
•De IS-curve: dit is afgeleid van het Keynesiaanse kruis en toont de combinaties van rente en inkomen aan waarbij de goederenmarkt in evenwicht is. Wanneer de rente daalt, nemen de investeringen toe, wat leidt tot een hogere effectieve vraag.
•MB-curve: dit geeft het verband weer tussen rente en inkomen, en representeert het monetaire beleid van de Centrale Bank door middel van het vaststellen van de rente. De Centrale Bank kan de rente aanpassen op basis van economische ontwikkelingen, zoals inflatie.
•De GA-curve: geeft aan hoe het aanbod op korte termijn afhangt van de inflatie. Op korte termijn kunnen bedrijven meer produceren bij een hogere inflatie, omdat hun winsten toenemen door loon- en prijsrigiditeit. Dit komt doordat lonen en inkoopprijzen op korte termijn vastliggen, terwijl verkoopprijzen wel stijgen bij inflatie.
Het IS-MB-GA-model: korte en lange termijn
Met het complete IS-MB-GA-model kan gekeken worden naar hoe deze onderdelen samenwerken en wat er gebeurt wanneer de economie wordt beïnvloed door een beleidsmaatregel. Hierbij wordt gekeken naar drie stappen in de tijd: de korte termijn, de aanpassing aan inflatieverwachtingen en de lange termijn.
Stel dat de overheid besluit haar autonome overheidsbestedingen te verhogen, bijvoorbeeld door meer te investeren in infrastructuur. Dit leidt tot een hogere vraag in de economie.
Stap 1: de korte termijn
We beginnen in een uitgangssituatie (evenwicht 0) waarbij de economie zich op haar potentiële productie (Y*) bevindt. De rente is r0 en de inflatie is i0.
Een hogere vraag door de toegenomen overheidsbestedingen leidt tot een verschuiving van de IS-curve naar rechts, van IS0 naar IS1. Bij dezelfde rente (r0) zijn er nu meer bestedingen en een hogere vraag naar goederen en diensten.
De Centrale Bank reageert op de korte termijn nog niet op de nieuwe situatie, dus de rente blijft op r0, die blijft hetzelfde (r0=r1). Het nieuwe evenwicht op korte termijn (evenwicht 1) ligt bij een hoger inkomen (Y1) en een hogere inflatie (i1). De productie stijgt boven de potentiële productie (Y1 > Y*). Dit komt doordat bedrijven meer winst kunnen maken door de stijgende prijzen, terwijl hun loon- en inkoopkosten op korte termijn nog vastliggen (loon- en prijsrigiditeit).

Stap 2: aanpassing aan inflatieverwachtingen
Omdat de inflatie is gestegen (van i0 naar i1), beginnen mensen en bedrijven hogere inflatie te verwachten. Deze hogere inflatieverwachtingen leiden tot twee gelijktijdige (simultane) aanpassingen in het model:
1.De GA-curve verschuift naar links/omhoog: na verloop van tijd zullen lonen en inkoopprijzen zich aanpassen aan de hogere inflatie. Werknemers eisen hogere lonen en leveranciers verhogen hun prijzen. Dit betekent dat bedrijven nu meer kosten hebben voor dezelfde productie, ofwel ze kunnen niet meer dezelfde hoeveelheid produceren tegen de oude prijs. De GA-curve verschuift hierdoor van GA0 naar GA1.
2.De MB-curve verschuift naar boven: de Centrale Bank reageert nu wel op de gestegen inflatie en de hogere inflatieverwachtingen. Om de inflatie te beheersen, verhoogt de Centrale Bank de rente (van r0 naar r2). Dit maakt lenen duurder en ontmoedigt investeringen en consumptie, om zo de vraag af te remmen. De MB-curve verschuift van MB0 naar MB1.
Het nieuwe evenwicht (evenwicht 2) ligt bij een hogere rente (r2), een hogere inflatie (i2) en een lager inkomen dan in stap 1 (Y2), maar mogelijk nog steeds boven de potentiële productie (Y2 > Y*).

Stap 3: de lange termijn
Zolang de feitelijke productie (Y) groter is dan de potentiële productie (Y*), blijft er een overmatige vraag in de economie bestaan. Dit betekent dat de inflatieverwachtingen blijven toenemen, waardoor de inflatie blijft stijgen.
1.De GA-curve blijft naar boven verschuiven: de GA-curve verschuift van GA1 naar GALT (GA lange termijn). De Centrale Bank blijft de rente verhogen om de oplopende inflatie te bestrijden.
2.Hierdoor blijft de MB-curve naar boven verschuiven: de MB-curve verschuift van MB1 naar MBLT (MB lange termijn).
Uiteindelijk bereikt de economie het langetermijnevenwicht. In dit evenwicht is het inkomen weer teruggekeerd naar de potentiële productie (Y*), hetzelfde niveau als waar we begonnen. Echter, de rente (rLT) en de inflatie (iLT) zijn nu significant hoger dan in de uitgangssituatie.
De stimulerende maatregel van de overheid (de extra overheidsbestedingen) is op lange termijn dus volledig tenietgedaan door de renteverhogingen van de Centrale Bank. Het inkomen is terug op het potentiële niveau, maar met hogere rente en hogere inflatie. Het resultaat is dus terug bij het oude inkomen (Y*), tegen een hogere rente (rLT) en een hogere inflatie (iLT).














